Deze website gebruikt cookies. Accepteer de cookies als u alle functionaliteiten van deze website wilt gebruiken.

Janus van Haperen

Geschreven door André Moors.

09janusvanhaperen

Wie is pastoor Janus van Haperen? 
Janus van Haperen werd geboren in Teteringen op 9 oktober 1931. Janus, genoemd naar zijn grootvader, wordt dus binnenkort 78 jaar. Janus was nog maar een kleuter van 5 jaar en hij wist het al zeker: ik wil later pastoor worden. En zijn grote wens is, zo blijkt, ook uitgekomen. In Dongen zat Janus op het Klein Seminarie. Het Groot Seminarie volgde hij in Hoeven. Na zijn priesterwijding in 1956 werd Janus achtereenvolgens kapelaan in Nieuw Vossemeer, Dinteloord, Alphen, Ulvenhout en Chaam. Vooral aan de samenwerking met pastoor Binck in Alphen bewaart Janus heel fijne herinneringen. Na als kapelaan actief te zijn geweest in Chaam, werd Janus in 1977 pastoor in Ulicoten. Hij bleef dat tot 1995. Toen Janus in dat jaar met pensioen ging, ging hij wonen in Baarle-Nassau in een van de woningen aan het Sint Janshof. Daar woont hij nog steeds. Hoewel, maar hierover later meer.
De vader van pastoor van Haperen was Cornelius van Haperen. Hij werd geboren in Teteringen op 22 juni 1899 en overleed aldaar op 18 juli 1984. De moeder van Janus heette Cornelia Adriana Boomaerts. Zij werd geboren in Etten Leur op 31 juli 1902 en overleed op 14 februari 1986 in Teteringen.  In het boerengezin waarin Janus opgroeide, waren vier kinderen. Janus is de oudste. Daarna volgen twee broers, Jan, één jaar jonger en Henk, vier jaar jonger. Jan is helaas al overleden. Henk woont in Terheijden en heeft daar een boerderij. Zus Jo completeert het gezin. Zij woont al geruime tijd in Kruisland. Haar man, vroeger ook boer, is inmiddels gepensioneerd.

Jeugdherinneringen 
Niet zonder trots meldt Janus dat hij als enige van de vier kinderen in de ouderlijke boerderij werd geboren.  Janus: “De boerderij uit oorspronkelijk 1612, zag er heel mooi uit. Kijk maar eens op de foto uit 1920 waarop mun vaoder, zun broer, zun moeder en zun vier zussen staan afgebeeld. Mijn vaoder had een gemengd bedrijf. Had koeien en varkens en teelde maïs, graan, peeën en zo iets. We hadden één pèrd. Unne tractor was er nie. Mijn vaoder zette het boerenbedrijf van mijn opa voort. Ik heb opa nooit gekend. Het was bij ons thuis een gezellig gezin. Maar wij als kinderen moesten al wel heel vroeg mee werken. Op de lagere school al. Als ik om vier uur thuis kwam van school, dee ik meteen de schoolkleren uit en de overall aon. We deeën ook de koeien melken. En in de oogsttijd moesten wij het graon mee opbinden tot schoven. Maar eerlijk gezegd, ik hai nie veul zin om mee te werken. Ten eerste, ik was unne goeie student. Had veul zin in leren en wilde toen al priester worden. Op de lagere school was ik goed bevriend mee mun broer en mee unne zoon van unne boer die een paor boerderijen verder woonde. Hij zat nog un bietje in de familie. Mee jongens van ut Hoeveneind, aon den andere kaant van Teteringen, ben ik ook bevriend gewiest. Uitgaan als jonge gast heb ik nooit gekend.”  

Janus kan zich zijn wens om later priester te worden nog heel goed herinneren. “Mee mun vijf jaor ging ik mee mun moeder dun eerste keer mee Kerstmis naor de kerk naor de nachtmis. Ik kwam in de kerk en er was een zee van licht aon. De priester had twee assistenten, kapelaans. Het koor zong prachtige kerstliedjes. Da vond ik zó schoon! Da maokte zo’n indruk op mij, dat ik docht, ik wil laoter pastoor worden. Ik vertelde het meteen tegen mun moeder mar daor zee ze nie veul op. Ze zee wel, da is nog zó lang weg jongen. Mar ze hee mij wel op het einde van de lagere school gesteund. Ik mocht nie meteen misdienaar worden van thuis, want ik moest meehelpen op de boerderij. Toen op een gegeven moment mun twee jongere broers misdienaar werden, heb ik aon ons vaoder gevraogen of ik da ook mocht, want zee ik, ik wil toch pastoor worden! Nou, ik mocht da. Ik ben dan ook mar één of twee jaor misdienaar gewiest. Ik vond da héél leuk. Ik zal oe zeggen, ik werd onderricht door un zuster. Die had mij één week begeleid en toen mos ik zelfstandig misdienaar zijn en moest ik unne jonge gast het ook leren. Ik vond het misdienaar zijn un héél mooie tijd. Tegen de pastoor heb ik toen verteld dat ik laoter ook pastoor wilde worden. Hij zee toen, bid dan maar goed jongen, dan komt ut wel goed! Bij mijn vaoder heb ik er voor moeten vechten om pastoor te mogen worden. Die wilde da nie. Ik was dun oudste en ik mos werken op de boerderij, mar daor gaf ik helemaol niks om. Ik heb net zo lang gemauwd tot ik op de lagere school bijlessen mocht nemen!  Mar op ut lest zee onze pa, nou veuruit, goi dan mar naor ut seminarie, mar ge zult wel veur Kerstmis thuis zijn! Hij heet er zun eigen wel in vergist! Mar ik moet zeggen, laoter heet ie er wel un eer in gezien dat ik voor priester ging studeren. Ons moeder hee mij vanaf ut begin gestimuleerd om priester te worden.”

De studententijd
Janus: “Toen ik in 1944 naor IJpelaar wilde, daar was ut Klein Semenarie, was da gebouw door de Duitsers bezet. Tot overmaat van ramp brandde het gebouw ook nog af. Daarom heb ik toen het eerste jaor mee alle andere studenten overal gezeten. In Bergen op Zoom, in Roosendaal, Breda, in Dongen. Het eerste studiejaar was ik nog thuis en ging van daor uit naar school. In Breda kreeg ik het eerste jaor onder andere les in de kelder van het Ignatiusziekenhuis. Er zaten allemaol priesterstudenten uit Breda en omgeving. Toen de IJpelaar weer werd opgebouwd, zaten we bij de nonnekes in Dongen. We kregen er les van leraren, dezelfde als in Breda. Mijn studie voor priester was best wel zwaor. Eigenlijk wel.   Ik weet wel dat ik het in het derde of vierde jaor Klein Seminarie in Dongen heel moeilijk heb gehad. Ik had volop twijfels en de studie ging nie goed. Die twijfels zijn wel overgegaon. Hoe, da weet ik nie meer.

Langs de ene kant was ut best wel streng in Dongen. Langs den aandere kant was ut un bietje un vrijgevochten geval. Wij zaten in een gedeelte van ut meisjesinternaat. Voor die meisjes werden we beschermd. Ja, ja, ja! Als we gingen douchen, wieren we over de speulplaots geleid. Maar we moesten dan helemaal langs de kaant van ut schoolplein blijven. We mochten nie mee de meskes in contact komen. Die moesten zich aon de aandere kaant van ut plein opstellen. Eigenlijk vonden wij da mar heel gewoon. Maar er zijn wel wel een paor studenten ‘gesneuveld’. Die zochten contact mee die meskes, en moesten toen van de school af.  

Als wij in bad moesten, dan was da dezelfde badcel als waor die meisjes in gingen. Wij gingen op een vaste middag onder de douche. Ik geloof dat da één keer per week gebeurde. Ieder had un badcelleke mee un douche. Er was dan volop toezicht. De priester die toezicht had, keek wel eens achter de deur van het badcelleke of alles wel netjes ging. Slapen deeën we in Dongen in un ander gebouw. We noemde da ‘ginderwijt’.We sliepen daor op un zaol mee aparte kamertjes. Chambretjes zo gezee. Die waren afgeschermd mee schotjes. Om een uur of negen moesten we naor bed. Daor was ook altij unne priester die surveilleerde. Ge mocht dan nie meer praoten. Ze hebben mij unne keer gesnapt. Ik hai unne aaierkoek over ut wandje naor de buurman gegooid. Ik kreeg toen flink op mun donder.

In onze studietijd gingen we drie keer per jaar naar huis op vakantie. Met Kerstmis, Pasen en in de zomer. Ik bezocht dan heel dikwijls mijn ooms en tantes. Ik moest da van ons thuis. Achteraf begreep ik wel waarom. Die stopten mij altij wa toe en zo steunden ze mijn vader en moeder financieel voor mijn studie. Mijn ouders waren namelijk niet rijk.”

Twijfels
“Toen ik al een paar jaar op het Klein Seminarie zat, werd mijn keuze om priester te worden op een gegeven moment wel een strijd. Ik vroeg mij af: kan ik da wel aon om nie te trouwen? Gin vriendin te hebben? Die periode was best wel un strijd. Op die leeftijd, dan is unne jongen gericht op ut meisje. Da sluit je dus al af. Ge had wel eens aparte dromen. Ge droomde dan van un meisje. Natuurlijk hadde wel eens seksuele gevoelens. Maar daar kon je niks mee en daar deed je niks mee. Ik probeerde da wel uit munne kop te zetten. Ge vond wel eens un meske leuk. Mar daor ging de nie op in. Begrijp te? Van jongs af aan heb ik geweten da ik nie zou trouwen. Da zat er gewoon ingebakken. Unne priester, die trouwt nie.

De strijd die ik net noemde heb ik nie verloren. Vanaf toen ik priester werd, heb ik die twijfels nooit meer gehad. Ik heb unne tijd meegemaokt da veul priesters uittraden hè. Da gevoel heb ik nóóít gehad. Ik vond het wel jammer dat die er mee stopten. Ik docht dan, hoe kan da nou toch. As ge priester wilt worden, dan heb je er dat toch voor over.” Vol overtuiging geeft pastoor van Haperen antwoord op mijn vraag: Als u nou weer jong zou zijn, zou u dan weer kiezen voor het priesterschap, inclusief de beperkingen dat je niet kunt samenwonen of trouwen met een vrouw? Janus: “Geen twijfel mogelijk! Pas op, niet dat ik een vijand ben van een meisje of vrouw. Die vind ik best leuk. In de tijd dat ik kapelaan was heb ik veel opgetrokken met die leidsters van jeugdgroepen, van de kabouters en de gidsen. Da was allemaol kapelaanswerk. Ik ben er mee op kamp en vakantie gegaon. Dat vond ik héél leuk. Maar ik heb nóóit behoefte gehad om daor aon toe te geven. Ik ben wel unne keer un bietje verleid door un vrouw. Mar toen was ik op mun hoede. Ik heb toen gezegd dat ik daor nie van gediend was. Trouwens, op iedere pastorie was er un vrouw, de pastoorsmeid. Daor was je niet zo intiem mee, want dat was de meid van de pastoor!”

Priesterwijding en eerste H. Mis 
Op het einde van het Groot Seminarie in Hoeven wordt Janus in 1956 tot priester gewijd. Janus: “Wij waren met negen studenten die tot priester werden gewijd. De kerk zat bomvol. Ook met heel veul familie. En wa waren mun ouders trots! Ik ben gewijd door bisschop Baeten. Zo’n priesterwijding is geweldig. Doet heel veel met je. Dan ben je in de zeuvende hemel. Een week laoter mocht je naor je eigen parochie thuis in Teteringen om daar de eerste Heilige Mis op te dragen. Een hele stoet van misschien wel honderd bruidjes, mijn familie, heel de buurt, de harmonie, ruiters te paard en de pastoor met de twee kapelaans met een Romeinse mantel aan, begeleidden mij naar de kerk. De kerk zat stampvol. Ik was de eerste priester van Teteringen die na de oorlog priester gewijd was. Na afloop van de Mis was er een receptie. Het was een fantastische dag.”

Janus wordt kapelaan 
Na de festiviteiten krijgt Janus van het bisdom de opdracht om kapelaan te worden in Nieuw Vossemeer.  Janus: “Ik ben daar un jaor gewiest omda de pastoor daor eigenlijk ginne kapelaan kos gebruiken. De parochie was er eigenlijk te klein voor. Toen ben ik verhuisd naor Dinteloord. Dieën pastoor kreeg mij als kapelaan omdat ie eigenlijk oud en wa ziekelijk was. Alles bij mekaor ben ik er drie jaor gewiest. Toen ben ik in 1960 naor Alphen gegaon. Bij pastoor Binck. Dat is mijne grote vriend geworden. Pastoor Binck was un bietje unne aparte. Hij was thuis de enigste zoon mee alleen mar zusjes. Hij is opgevoed door zijn tantes, waarom da weet ik nie. Hij had de eigenaardigheid om de jongeskes die langs de pastorie kwamen, unne aai over dur bolleke te geven, maar de meskes raokte ie nie aon. Laoter trouwde hij die meskes en ging dan ook naor de receptie. Maar dan gaf ie de bruidegom un hand en ook de vaoder, maar de bruid en de moeder nie. Hij is kennelijk vanaf zijn kind zijn van de meskes afgehouwen, en da is zo gebleven. Ik kos mee Binck heel goed opschieten. Ik was zo gezee zunne zoon. Ik kos er mee lezen en schrijven. Hij liet mij werken zoveul as ik maar wilde. De pastoor was heel actief op het gebied van heemkunde en daor moest je natuurlijk belangstelling voor tonen hè. Hij was gezien in Alphen.  
In 1964 ben ik van Alphen naar Ulvenhout verplaatst. In Ulvenhout ben ik vijf jaor gewiest maar daor ben ik ziek geworden. Overspannen. Waarom? Eigenlijk was da een fout in mun hersens. Had niks te maoken mee twijfels aon mijn priesterschap. Ge ging over oe toeren door het veule werk. Stress zo gezee. Daardoor heb ik er een tijd uitgelegen. Ik woonde toen een paor maonden bij mijn zus. Toen ben ik van Ulvenhout naor Chaam gegaon. Van Chaam uit ben ik uiteindelijk pastoor geworden in Ulicoten. Ik ben da daor achttien jaor gewiest. In 1995 ben ik met pensioen gegaon. Gedurende de overspannenheid waar ik het straks over had, waren er periodes dat ik niks kon. Kreeg medicijnen. Dan voelde ik mij wel eens eenzaam. Een heel vervelend gevoel was da. Ik ben van die ziekte afgeraokt einde periode Chaam, begin periode Ulicoten.”

Verschil tussen pastoor en kapelaan
I
k vraag Janus wat het meest opvallende verschil is tussen het uitoefenen van het ambt van kapelaan en pastoor. “As kapelaan ben je er veur alles en nog wa. Ge trekt op mee de kabouters, gidsen en de welpen. Ge waart daor aalmoezenier van. Van un voetbalclub was je de geestelijk adviseur. Zo trok ik als geestelijk adviseur op mee jongens van de voetbalclub in Ulvenhout en in Alphen. Het huisbezoek, trouwmissen en uitvaarten deed eigenlijk de pastoor.  Toen ik pastoor in Ulicoten was, ging ik ook op huisbezoek. Maar daor was ik unne hele moeilijke in. Was traag, maar deed ut ontzettend graag. Kwam nie bij iedereen elk jaor langs omdat ik het mee andere dingen te druk had. Of ik bleef te lang hangen bij mensen bij wie ik huisbezoek deed en dan deed ik er te weinig op een week en dus op un jaor.” Als Janus in Ulicoten op huisbezoek ging, bepaalden de mensen het gespreksonderwerp. “Ik heb mensen nooit aangespoord om te zorgen dat er kinderen geboren werden. Da vond ik niet passen. Da was iets waar ik volgens mij, niks mee te maoken hai. Ik was wel belangstellend veur ut gezin. Als mensen dan uit zich zelf vertelden over hun kinderwens, dan vond ik dat iets bijzonders, dat ik da mocht weten.”

Volgens Janus is er wel een verschil tussen bijvoorbeeld de parochianen van Alphen en van Ulicoten. “In Alphen waren de mensen iets opener. Misschien kwam da wel omdat ik daor de kapelaan was en nie, zoals in Ulicoten, de pastoor. Als je kapelaan bent heb je toch een iets andere verhouding mee de mensen. Leuk is dat als ik hier in Baol mensen uit Alphen zie, die altijd naar mij toekomen. En het is toch meer dan dertig jaar geleden dat ik daar werkte. Dat ze in Ulicoten iets minder open waren komt denk ik ook omdat ik in de Ulicotense tijd ziek ben gewiest. Was af en toe wat overspannen en kreeg daarveur medicijnen. En dan ben je zelf toch wel wa geremder. Een factor was ook dat ik in de Ulicotense tijd godsdienstleraar was op huishoudscholen in Alphen, Gilze en Rucphen en later in Hoogerheide. Ook daarom was ik minder beschikbaar voor de parochie. Hai het druk met lesgeven. Ik herinner me nog dat ik negenentwintig uur per week les gaf. Daarom kreeg ik in Ulicoten hulp van de pastores uit Baol en Alphen. Met de collega’s uit de buurt kwam je un paor keer per jaor samen. Je organiseerde dan soms een dineetje. Je was elkaars vrienden.

Maar let op, ook in Ulicoten heb ik het altijd goed naar de zin gehad. Zat daar in die grote, mooie pastorie. Die was helemaal voor mij! Want ik hai er ginne kapelaan en ook gin huishoudster. Ik hai er un vrijgezelle dame, ondertussen in de tachtig. Die kwam ’s morgens tegen zeuven uur naar de pastorie en daar bleef ze dan tot ‘s avonds zeuven uur. Koster in Ulicoten was Piet van den Broek. Op een gegeven moment is de samenwerking met hum wat gestroefd geraokt. In augustus mee de Bernardusfeesten moest hij tegen die tijd kaarsen en hosties bestellen. Op unne keer had hij dat niet gedaon, terwijl da wel was afgesproken. Daor ben ik toen kwaad over geworden en toen was de liefde over. Wa later is hij gestopt als koster. In 1995 heb ik afscheid genomen als pastoor in Ulicoten. Daarna ben ik er niet dikwijls meer gewiest. Als je in een bepaalde parochie hebt gewerkt, sluit je dat af. Dat neemt niet weg dat ik het fijn vind als ik nog Ulicotense mensen ontmoet.”

Roeping  
Janus zegt er van overtuigd te zijn dat een roeping hem heeft gebracht tot het priesterschap. Maar wat is dan toch een  roeping? Janus: “Je hebt dan van binnen constant het gevoel en het besef van, ik wil priester worden. Het mooie aon het priesterschap is dat je er bent voor andere mensen. Altijd. Altijd goed kunnen werken voor mensen. Vooral in Alphen hè, daar heb je het weer. Daor had ik het gevoel dat ze wa aan me hadden.”

Biechten 
Biechten wordt tegenwoordig nog nauwelijks gedaan. Pastoor van Haperen heeft wat dat betreft andere tijden meegemaakt.  “Biechten is toch wel iets heel bijzonders. Ten eerste heb je un heel strenge geheimhouding. Buiten de biechtstoel mag je er met niemand over praoten. Je praotte er nooit over, maar dan ook nooit. Ook niet mee je collega’s. Ik heb nooit aon un collega gevraogd: wa gifde gij nou veur die zonde? In contacten met collega’s kwam biechten nooit aan de orde. Je liet niks merken. Ook niet aan degene die bij je gebiecht had en die je laoter tegenkwam. Er aon denken, aon mij heb jij dit of dat gebiecht, was er niet bij. Da is niks moeilijk. Als ik namelijk uit de biechtstoel stapte, hai ik ut idee dat de biecht uit mun geheugen was geschrapt. Als jonge schoolkinderen bij mij kwamen biechten, heb ik dat nooit beschouwd als iets bijzonders. Kinderkwaod is gin kwaod. Da gold eigenlijk ook voor veul oudere mensen.”

Ik vraag de pastoor hoe het zit met de vergiffenis als er bijvoorbeeld iemand bij hem zou komen biechten dat hij iets zou gehad hebben met een andere vrouw. Volgens Janus krijg je dan altijd vergiffenis. Ik vraag hem of dat dan toch ook weer niet erg gemakkelijk is. “Het feit dat je de moed hebt om dat tegen mij te vertellen, want ik ben toch ook een mens van vlees en bloed, daar heb ik als priester respect voor. Door het te vertellen tegen mij, erken je dat je fout bent geweest en wil je van die fout af.”

Altijd eens met de paus? 
Janus: “Nee, nee, bijvoorbeeld da vasthouden aan ut gegeven dat een priester niet mag trouwen. Da zal wel zo moeten zijn. Maar daor konden ze toch wel eens wa flexibeler in zijn. Vanwege dat halsstarrig vasthouden aan ut celibaat komt ut voor dat priesters een scheve schaats rijden. Da vind ik altijd erg als ik dat hoor. Met priesters onder elkaor praat je wel eens over het celibaat en da de paus en de bisschoppen daor ruimer in zouden moeten denken. Daor blijft het dan bij. Want invloed heb je als pastoor niet. Het is een wens die toch niet vervuld wordt. Want wat is het toch erg wat er vooral in Amerika gebeurt. Ik bedoel da kindermisbruik. Héél erg. Aon kinderen zitten, vind ik heel dramatisch. Veur die kinderen is ut verschrikkelijk. Ze zijn hun leven lang getekend. Ik denk wat er op dit terrein gebeurt toch ook te maoken heeft mee de houding van de Kerk ten opzichte van ut celibaat. De gehele Kerk wordt wel afgerekend op de misdragingen van un aantal priesters en dat is niet eerlijk.” Ik leg aan Janus de vraag voor of hij zich een conservatieve of een progressieve pastoor vindt. “Ik durf het bijna niet te zeggen, maar ik deel me in bij ut progressieve blok.” Als ik hem vertel dat ik dat gezien zijn uitspraken over de kerk en de samenleving ook vindt, doet dat hem zichtbaar goed.   

Terugloop kerkbezoek 
Janus is er van overtuigd dat het kerkbezoek zo dramatisch is teruggelopen omdat het de mensen allemaal zo weinig zegt. “Dat ligt zowel aan de mensen als aon de Kerk. Mij zegt het wel iets. Ik heb nou unne tijd gehad dat ik vanwege dieë parkinson op zondag gin mis kon doen. Maar dan ging ik wel naor de kerk om un eucharistieviering mee te maken. En dan denk ik, waarom doen zo veul mensen da niet meer? Het is een verhaal van twee kanten. Ook de Kerk zou zich moeten afvragen, hoe komt het toch? Helaas worden steeds meer kerken gesloten en voor andere doeleinden gebruikt. Maar as ge de geschiedenis nagaat van 2000 jaar katholicisme, dan hebben we verschillende ups en downs gehad. Dus ik denk dat er weer ooit een tijd komt dat ut kerkbezoek weer opleeft. Misschien in un tijd dat mensen het moeilijk hebben. Helaas komen er ook steeds minder priesters. Het is maar goed dat er zoveul vrijwilligers zijn die in de kerk prachtig werk verrichten. Heel veul jeugd komt er niet meer in de kerk. Daarom geniet ik van de jongeren die in jongerenkoren zingen. Vooral die van Ulicoten zingen heel goed.”

Hemel en hel
Ik leg de pastoor de vraag voor waarom ik moet geloven dat er een hemel en een hel is. Er is immers nog nooit iemand teruggekeerd op aarde die er over heeft verteld.  Janus: “Zijn er nooit teruggekomen? Er zijn verschijningen geweest. Maria verscheen onder andere in Lourdes. Wij geloven toch ook dat da gebeurd is? We namen toch aon dat ze in feite bij God was en als vriend van God hier wel eens aon de mensen verscheen? Dan moet er die hemel toch zijn? De hemel is volgens mij het vertoeven in de nabijheid van God, in Zijn heilige wereld. Niet met un lichaam, maar met je geest. De geest is iets wat altijd blijft. Dat verdampt niet, blijft bestaon. Iemand die geleefd heeft als kind van God, wordt dan in dat Rijk opgenomen. Hoe, da weet ik niet. Maar ik geloof bijvoorbeeld dat mijn vaoder en moeder in de hemel zijn. Of ik die, als ik zelf dood ben, nog zal kennen, weet ik niet. Want kennen is eigen aan ut aardse, aon het lichaam en ziel zijn. Ik geloof echter niet dat er un hel is. Dat is zo in de Bijbel voorgesteld. Vuur en lelijkerds mee unne stèrt, ik geloof er niks van! Het kwaad is wel in de wereld. Dat is in de mensen. Als iemand in het aardse leven er een geweldige troep van heeft gemaakt, dan weet ik ook niet waar zo iemand na zijn dood blijft.”   

In Baol wonen 
Nadat de pastoor in 1995 afscheid nam van zijn parochie in Ulicoten, verhuisde hij naar Baarle-Nassau. Hij ging wonen in een van de tien kleine woningen in het Sint Janshof nabij het Zorgcentrum. “Het bevalt me hier heel goed. Maar ze moeten mij niet op die Brede School gaon dauwen! Ik wil daor helemaal niet naar toe. Ik heb daor veul moeite mee. Ik ben er ziek van en meer mensen die hier wonen. Mijne buurman Jaon van Loon die negentig is en mevrouw van Gorp die in de negentig is, vinden da ook verschrikkelijk. Jaon hee van de dokter te horen gekregen, daor mag je niet naar toe van mij. Men zegt zolang je er niet uit gaat, kunnen ze je huis niet afbreken. Leijakkers wil op deze plaats een nieuwe Croon bouwen mee appartementen. Er wordt momenteel actie gevoerd. Wij hebben mee de bewoners van de zes huisjes de ouderenadviseur op bezoek gehad. Die doet ook wel het een en ander voor ons. Ik vind da ze bij Leijakkers niet veul begrip veur ons hebben. De manier waarop wij aon de weet zijn gekomen da wij er uit moeten, da is nie mooi gegaon. Da hebben wij van de straot moeten horen. Leijakkers hee daoraan in onze ogen veul fout gedaon. Ik ben er eigenlijk ziek van en ikke nie alleen.”

Hobby’s  
Tuinieren in zijn bloementuin achter de pastorie in Ulicoten was zijn lust en zijn leven. Biljarten was en is nog altijd een grote hobby van pastoor van Haperen. “Maar da gaat nie mir goed vanwege de parkinson. Ik speul vier middagen per week bij de bejaardenbond. Als de andere drie waarmee ik biljart van half twee tot vier uur vijftig caramboles hebben gemaokt, dan zit ik aon de twintig. Het contact mee die mannen bij de biljartclub is heel leuk. Ik ben vroeger veul op vakantie geweest. Naar landen dichtbij en ver weg. In België heb ik heel veul abdijen bezocht. De leste veertien jaor ben ik eigenlijk niet meer op vakantie gewiest. Als ik thuis ben kijk ik graag naor de TV. Vooral sport interesseert me. Maar om half elf lig ik in bed en slaop dan tot half negen. Ik kan goed slapen.”  

Voor zich zelf zorgen 
Janus probeert zoveel mogelijk voor zichzelf te zorgen. Warm eten doet hij in Janshove. “Ik zorg zelf voor brood ’s morgens en ’s avonds. Mijn huis onderhouden doet Jacqueline van der Kaa. Ze komt één ochtend in de week. De was doe ik zelf. Strijken doet Jacqueline. Als ik bepaalde zorg nodig heb, bijvoorbeeld vanwege een wond die verbonden moet worden, wordt ik altijd heel goed geholpen door verzorgsters van Janshove.” Hoe lang de pastoor nog leeft weet hij niet. “Ik hoop wel dat ik niet te oud word. Ik hoef niet dood hoor, maar hoef ook geen negentig of honderd te worden!”     

Afscheid
Vast staat dat ik na dit bijzonder geanimeerde gesprek met de pastoor en het bekijken van zijn fotoalbums (een aantal foto’s zijn in dit artikel geplaatst), hem nog beter heb leren kennen en waarderen. En ik weet zeker dat dit ook voor alle lezers van Van Wirskaante geldt. Bedankt Janus, dat je met zo’n open vizier aan het interview hebt deelgenomen. Mede namens alle leden van Amalia wensen wij jou het allerbeste en hopen ook dat de parkinson beheersbaar blijft. Mijnheer pastoor, dat het u goed mogen gaan!

 

Janus overleed op vrijdag 24 januari 2014.

 

 

Informatie over de website  Sociale media Onderhoud
Privacy verklaring  sm facebook 50sm twitter50sm dodendraad 50instagram 2 Service en onderhoud sk 50