Deze website gebruikt cookies. Accepteer de cookies als u alle functionaliteiten van deze website wilt gebruiken.

Frans Van Gils 1 en 2 vierkant
Aon de praot mee...Frans Van Gils (deel 1)

“Wanneer ik betrokken ben bij activiteiten, zal ik altijd proberen de jeugd erbij te betrekken. Daar hecht ik grote waarde aan.”

ANTOON VAN TUIJL

 Al vijfenvijftig keer op een rij vertelden Baarlenaren – soms voormalige Baarlenaren – interessante verhalen over hun eigen leven: hun jeugd, hun gezin, hun werk, hun hobby’s. Alle trouwe lezers van ons heemblad kregen een inkijk in wat de lange stoet van geïnterviewden bezighield of bezighoudt. En geloof maar dat de rubriek “Aon de praot mee…” gelezen wordt. Zijn er nog steeds kandidaten om openhartige gesprekken mee te voeren? Natuurlijk! Voor ons decembernummer hoefden we al helemaal niet lang na te denken. Hoog tijd – vonden wij – om naar Zondereigen te trekken voor een ontmoeting met Frans van Gils. We vinden een plaatsje in het smaakvol ingerichte huis van Els en Frans. Een goed bakske koffie met een stuk vers gebakken cake vormen een lekker startpunt voor een lang en buitengewoon boeiend gesprek.

Wie is Frans van Gils?
Frans wordt geboren op 23 januari 1944 als vijfde in een gezin dat acht kinderen zal gaan tellen. Drie broers en een zus gingen hem voor. Na hem komen er nog twee zussen en een broer. Julia Loots hielp hem ter wereld te komen, zoals zij dat deed met ongeteld veel kinderen in Baarle en omgeving. Zijn geboortehuis staat in Zondereigen, midden in het dorpshart.

Vader August van Gils is ook in Zondereigen geboren en wel op 21 december 1909. Hij wordt helaas niet oud daar hij hartpatiënt is. In die tijd kan men weinig doen tegen hartfalen. Hij overlijdt op 12 december 1975. Tijdens zijn werkzame leven is hij koster en organist in de parochiekerk van de H. Rumoldus. Dit zijn mooie functies, maar met de verloning ervan kan men onmogelijk een gezin onderhouden. De familie Van Gils heeft voor nevenverdiensten dan ook een kruidenierswinkel. Eigenlijk is het een kleine bazaar, zodat de mensen van het dorp voor meer dan alleen voedingswaren terecht kunnen.
August kent het systeem van boodschappen thuis bezorgen. Hij gaat de buiten het dorp gelegen boerderijen langs om te noteren wat de mensen willen bestellen. Dan worden de pakketten thuis klaargemaakt en in een tweewekelijkse toer bij de klanten bezorgd.
Vader Van Gils heeft ook nog een kantoortje voor verzekeringen. Geen wonder dat moeder een groot deel van haar tijd in de winkel bezig is. Een ongehuwde, inwonende tante draagt haar steentje bij in zaak en huishouden. Naarmate de kinderen groter worden, steken die natuurlijk ook een handje toe. Wanneer vader August op een bepaald moment een auto aanschaft voor de bezorging van de boodschappen, blijken de oudere jongens binnen de kortste keren volleerde chauffeurs te zijn. Gevaar voor ongelukken is er nauwelijks. Het is nog niet druk in Zondereigen!

August van Gils heeft weinig kans gehad om door te leren. Hij heeft er beslist de hersenen voor, maar in zijn jonge jaren is verder studeren niet zo de gewoonte en er moet bovendien thuis zoveel gedaan worden. Elk paar handen is nodig! Hij krijgt privélessen voor orgel en wordt al op elfjarige leeftijd organist in de parochiekerk. Daarnaast volgt hij hier en daar cursussen en gaat naar congressen om zich op maatschappelijk gebied te bekwamen. Zo kan hij bijvoorbeeld voorzitter worden van de plaatselijke ‘Bond van Grote Gezinnen’. Kortom: vader August is een voorbeeld voor zijn kinderen in stevig aanpakken en grote maatschappelijke betrokkenheid.

Moeder Van Gils heet Clara Embrechts en is afkomstig van Lichtaart. Zij wordt geboren op 20 juli 1912 en overlijdt op 23 januari 2002. Zij krijgt wel gelegenheid studies te volgen en is na de nodige schooljaren landbouw-huishoudkundig regentes. Dat geeft haar de bevoegdheid les te geven in het middelbaar onderwijs. Frans geeft duidelijk te kennen dat hij dit een prachtig onderwijsberoep vindt. Het biedt de mogelijkheid tot brede educatie van jonge mensen. In zijn waardering speelt ook mee, dat zijn huidige levenspartner Els Verbiest dezelfde onderwijsbevoegdheid bezit en daar een even grote waardering voor heeft. “Je bent met deze bevoegdheid veelzijdig inzetbaar voor het onderwijs aan jonge mensen,” zegt zij met zichtbare voldoening.

De leergierigheid van vader August en de actieve rol in de maatschappij van moeder Van Gils, brengt deze twee mensen samen. Ze ontmoeten elkaar bij scholingsbijeenkomsten.
Frans spreekt ook over zijn moeder met zeer grote waardering. “Zij was een kordate en wijze vrouw,” is zijn oordeel.
Via haar winkel heeft zij na verloop van tijd een goede invloed in het dorp. In haar ruim voorziene bazaar verkoopt zij ook wat gewone geneesmiddelen. “Een pilletje en een poedertje waar geen doktersvoorschrift voor nodig is,” noemt Frans het. Veel eenvoudige klanten vertellen haar dan ook wel eens over hun klachten en kwalen. Zij beoordeelt dan heel nauwgezet wanneer het beter is naar de dokter te verwijzen. Hierdoor bouwt ze een goede relatie op met de ‘oude’ dokter Govaerts. Ze geniet een groot vertrouwen van de Zondereigense gemeenschap.

Schooltijd
Frans begint vanzelfsprekend zijn schoolloopbaan op de kleuterschool. Daar zitten jongens en meisjes bij elkaar en de zusters van Huldenberg hebben de zorg over de kinderen. Hij herinnert zich nog dat alle kleuters geruite schortjes droegen; blauw voor de meisjes en rood voor de jongens. Zuster Walteria laat niet bepaald fijne herinneringen bij hem na. Zij hanteerde een nogal lugubere opvoedingsmethode om de kinderen in de namiddag, tijdens het slaapuurtje, stil te houden. Terwijl ze een la van haar lessenaar opentrok en een snoeischaar liet zien, zei ze dat ze bij elk kind dat zou praten, een stukje van de tong zou afknippen. Dan wil je als vijf-zesjarige je mondje wel houden! Maar of je dan nog kunt slapen…?
Op een zekere dag – zo herinnert Frans zich ook nog – is er een klasgenootje bij de zuster gaan klikken: “Frans heeft gevloekt.” Hij wordt stante pede bij de zuster geroepen en zonder enige vorm van onderzoek naar zijn misdrijf krijgt hij een stevige straf, terwijl hij zich van geen kwaad bewust is. Dat waren nog eens tijden!

In de basisschooltijd gaan meisjes en jongens naar hun eigen scholen. Op de jongensschool wordt het onderwijs verzorgd door twee leerkrachten. De leerjaren een, twee en drie vormen één groep, waarover Juffrouw Leonie Peeraer de scepter zwaait. Zij wordt ‘Steske’ genoemd. Frans noch Els weten dit woord thuis te brengen, maar het zou een ver afgezwaaide verbastering kunnen zijn van een oud Frans woord ‘mestesse’, dat meesteres, dus onderwijzeres zou betekenen.
In het winterhalfjaar brandt midden in het klaslokaal een grote, zwarte kachel. De vrouw die de school schoonhoudt, krijgt van de gemeente ook de opdracht elke morgen tijdig de kachels aan te maken. Kinderen die in het buitengebied wonen, blijven in de middagpauze op school. Ze hebben boterhammen bij zich en een zinken kannetje met drinken. “Ik heb het beeld van die ‘kitjes’ op de kachel nog altijd op mijn netvlies,” zegt Frans.

Veel lessen verliepen op nogal ouderwetse wijze, naar het oordeel van Frans. “Het was niet veel meer dan opdreunen en nog maar eens opdreunen,” herinnert hij zich. Voor het dagelijkse schrijven en sommen maken, gebruiken de kinderen een lei met griffel. Ze hebben allemaal een mooi langwerpig doosje voor de griffels en een sponsje. Alleen bij de lessen in het schoonschrijven komt er een inktpot en een ballonpen met een schrift tevoorschijn. In de klas dragen alle leerlingen een stofjas.
Een goede zaak, vindt Frans, is de Franse les die de juffrouw aan de oudere leerlingen geeft. Het maakt doorleren gemakkelijker. “Wij hebben wel eindeloos rijen vervoegingen moeten opdreunen,” weet Frans nog en hij draait meteen zo’n rijtje af.

“Is er wel eens sprake geweest van kattenkwaad?” wil ik graag weten. Ik zie een brede glimlach verschijnen en de schittering in de ogen wordt sterker! “Tijdens een winternacht heeft het flink gesneeuwd,” zo steekt Frans van wal. “Natuurlijk gaan wij met z’n allen sneeuwballen gooien op de straat voor de school. Daar komt Juffrouw ‘Steske’ aan op haar fiets. Al van op afstand roept ze dat wij moeten stoppen met gooien. De ervaring heeft ons geleerd dat we dat maar het beste kunnen doen. Naar gewoonte gaat de juffrouw door een klein poortje om haar fiets achter de school te kunnen zetten. Juist als ze voor dat poortje staat, kan ik het echt niet laten om een flinke sneeuwbal juist boven het poortje tegen de muur te gooien. Hij komt perfect terecht, want de juffrouw krijgt een stevige ‘sneeuwbui’ over zich heen.” Nu kan Frans er smakelijk om lachen. Toen minder! De school staat naast zijn ouderlijke huis. Ruim vóór hij thuiskomt uit school, zijn vader en moeder al op de hoogte van het gebeuren. Die middag was er weinig reden tot lachen.

Leren en spelen
Uit de verhalen die ik te horen krijg, kan ik opmaken dat de schoolperiode voor Frans verloopt, zoals je dat voor alle kinderen zou wensen. Er wordt geleerd, gespeeld en ter afwisseling zit er soms wat deugnieterij tussen. Frans zit vol herinneringen.
Zo weet hij nog heel goed dat er kinderen van de familie Vissers uit Baarle-Nassau bij hem op school zaten. Dat gezin woonde in het grote, ‘lege’ gebied tussen Zondereigen en Baarle. “Die jongens waren nergens bang van, maar ook nogal moeilijk te temmen,” weet Frans. “Ze kwamen dan ook regelmatig in aanmerking voor straf. Juffrouw ‘Steske’ zette zo’n deugniet dan min of meer opgevouwen onder haar lessenaar. Zat hij niet goed stil, dan trapte ze hem!”
Je moet toch iets verzinnen om de orde te handhaven. “De juf had ook de gewoonte om van tijd tot tijd een spiegeltje uit haar lessenaar te halen. Ze hield dat voor haar gezicht en dan plukte ze hier en daar een haar van haar kin.”

In leerjaar vier, vijf en zes verzorgde meester Victor Michielsen de lessen. De leerlingen noemden hem ‘Fikske’. Bij Frans is de indruk gebleven dat deze onderwijzer een goed leerprogramma aanbood. Het schoolwerk gebeurde vooral tijdens de lessen, zodat huiswerk nauwelijks nodig was. Voor de Franse lessen moest wel thuis gewerkt worden.
Meester Michielsen beheerde de bibliotheek van het dorp. Tot vreugde van de schooljeugd was die in het schoolgebouw ondergebracht. De meester beloonde zijn leerlingen soms met een bezoek aan de bibliotheek, waar ze dan Suske en Wiske-strips en Kuifje-boeken mochten lezen. Feest was dat!

De kinderen van het dorp spelen buiten de schooluren heel vaak samen op straat. In die tijd zijn de wegen in Zondereigen nog maar gedeeltelijk verhard. Aan een kant ligt er een strook aangestampte aarde. De strook in het midden is een weg van kasseien. De andere zijde is karrenspoor. Nu eens stoffig, dan weer modderig.

Een geliefd spel is ‘Potteke stamp’. Het wordt ook wel ‘Blikske stamp’ genoemd. Frans vertelt: “Midden op het kruispunt werd een conservenblik weggezet. Een van de kinderen was de bewaker ervan. Alle andere kinderen verstopten zich in de buurt. De bewaker had nu de dubbele taak om zijn bus te bewaken en toch de andere kinderen te gaan zoeken. Raakte hij wat ver van zijn post, dan zag misschien een van de verstopten kans om tevoorschijn te komen en het blik weg te schoppen. Dat kon heel spannend zijn. Op het hardere deel van de straat speelden wij ook wel ‘Meske steek’. Jullie kennen dat misschien eerder als ‘Landje pik’. Wij tekenden met een mes een rechthoekig vlak in het zand. Om beurten mochten we proberen ons zakmes met de punt in dat vlak te gooien. De richting van het mes werd doorgetrokken, waardoor je het afgesneden deel jouw eigendom kon noemen.”
“Werd er ook gevoetbald in jouw jonge tijd,” wil ik graag weten. Frans beaamt dat direct. “Er zijn zelfs mensen in de geburen die daar hun bijnaam aan te danken hebben. Wij voetbalden dicht bij het kruispunt, op de hoek waar nog niet lang geleden nieuw gebouwd is. Daar woonden in die tijd de ongetrouwde gezusters Leestmans met hun broer Charel. Naast hun huis was een grote houten poort. Daar stampten wij die bal natuurlijk regelmatig tegen en dat ‘boenkte’ hard. Die teruggetrokken levende vrouwkes konden dat niet goed verdragen en riepen dan tegen ons: ‘Foei, foei!’ Geen wonder toch dat ze al gauw de ‘Foeikes’ genoemd werden. Het was misschien niet schoon, maar zo ging dat.”

Zure bramen
Zo dicht bij de kerk wonen en een vader hebben die organist is; het kan niet missen dat je dan misdienaar wordt. Was er een begrafenis, dan kon je uitverkoren worden om de klas te verlaten voor de uitvaartdienst. Dat gebeurt Frans ook eens, samen met Guy Verhoeven. “Wij doen ons best,” vertelt Frans, “om alles netjes te verzorgen, maar we spreken wel af dat we na de dienst niet terug zullen gaan naar school, want dicht in de buurt zijn de bramen rijp! En die lokken ons.” Zij schuifelen getweeën ongezien weg en smullen van de sappige vruchten. Ongezien? In kleine dorpsgemeenschappen is de sociale controle beter ontwikkeld dan je soms graag hebt! Hun ouders wisten onwaarschijnlijk snel wat zij mispeuterd hadden. “Toen zat er wel een vlieg aan de lamp bij ons thuis!” weet Frans zich nog zeer helder te herinneren. Wat werden die bramen zuur!

Zondereigen kende een mooie traditie waar de kinderen een hoofdrol in speelden. Op ‘Sluiterkensdag’ – het feest van St. Thomas, de ongelovige – mochten kinderen, die het georganiseerd konden krijgen, hun ouders, de onderwijzers en zelfs de pastoor buiten sluiten uit huis, school en kerk Frans herinnert zich meerdere geslaagde buitensluitacties. “Op school sloten wij een verbond met de kuisvrouw. Die liet dan voor ons een klein valraamke open. Met een hooivork konden wij dan de sluiting van het grote raam daaronder open krijgen. Zo kwamen we binnen om de deur van de school te barricaderen met tafels en banken. De juf en de meester mochten pas binnen wanneer ze iets beloofd hadden wat wij heel plezant vonden. Ik weet dat we op deze manier heel wat extra Kuifje- en Suske en Wiske-uren gewonnen hebben.”
Ook de pastoor werd eens buitengesloten. “Dat was niet moeilijk,” vindt Frans. “Mijn vader had vrije toegang tot de kerk omdat hij koster en organist was.”

Studiejaren
Na de basisschool gaat Frans naar het Klein Seminarie in Hoogstraten om aan zijn verdere opleiding te beginnen. Ik bemerk de grote waardering die hij heeft tegenover zijn ouders, die alles deden om hun kinderen een goede scholing en opleiding te geven. Een gevolg daarvan was wel dat ze hun studies vanuit een internaat moesten volgen. Dagelijks heen en weer reizen, was niet mogelijk. Jongelui die van kleine dorpsscholen komen, volgen eerst een voorbereidend jaar om steviger in de schoenen te staan bij de start van de middelbare school.
“Een van mijn leraren – dat waren priesters van het bisdom – was mijnheer Van Mechelen, die later pastoor geworden is in Zondereigen. Ik zal het kort samenvatten,” zegt Frans, “dat was gene gemakkelijke!”
De internen werden, bijvoorbeeld voor de tijden die ze op de speelplaats doorbrachten, ingedeeld in groepen, naar de regio waar ze vandaan kwamen. Zo’n groep werd een compagnie genoemd. Ik verwonder me wel wanneer Frans de namen van die compagnies noemt. Klinkt ‘Boeren en Kloeffen’ of ‘Koeien’ of ‘Keutels’ niet denigrerend? Met een naam als Kempenaars 1 en Kempenaars 2 zou ik beter kunnen leven. Elke compagnie had een verantwoordelijke. Oudere internen hielpen de jongere om snel in te burgeren. “Heimwee heb ik eigenlijk niet gekend en ik heb me altijd heel goed gevoeld bij het internaatleven,” zegt Frans.

Na drie jaar Hoogstraten verhuist Frans in 1959 naar Sint-Niklaas. Daar staat de dichtstbijzijnde Normaalschool die een goede naam heeft. Het is een bisschoppelijk instituut waar een deel van de lessen gegeven wordt door priesters van het bisdom. Hij gaat de onderwijzersopleiding volgen. “Dat is een idee van moeder,” legt hij uit. “Zij achtte het beroep van onderwijzer en leraar hoog. Haar wensen zijn goed vervuld. Zes van haar acht kinderen vonden hun weg in het onderwijs en van hun levenspartners nog eens zes!” Nee, moeder van Gils heeft op dit punt geen reden tot klagen.

Frans bewaart aan deze schoolperiode veel goede herinneringen. “Wij hadden daar leraren van hoog gehalte,” meent hij. “Zij deden meer dan alleen lesgeven. Zo brachten zij ons bijvoorbeeld in contact met de ‘Bouworde’, een organisatie die studenten in verloftijd bijeenbrengt om ergens in het buitenland te gaan helpen bij de bouw van een goede-doelen-instelling. Dat zijn rijke ervaringen,” is de overtuiging van Frans. De school biedt ook goede kansen om te sporten. Frans komt in het basketbalteam van de school terecht en bekwaamt zich zo goed in dit spel dat hij later in de regio meespeelt in competitieverband.

Frans is ook altijd te vinden geweest voor het bedenken en uitvoeren van grollen en grappen. Hij trakteert ons op een paar mooie anekdotes.
“De priesterleraren woonden in het internaat. Op een Sinterklaasavond hebben we voor de deur van hun kamer een klomp gezet. Die vonden we eerder op de zolder. In elke klomp stopten we een brief met daarop een tekst die van toepassing was op de betreffende docent. Geen gemenigheden of venijn, hoor! Maar wel satire over hun gewoonten tegenover de studenten. Ik denk dat ze het heel sportief opgevat hebben. Commentaar hebben we niet gekregen.”

Er zijn grappen waarvoor de handen uit de mouwen gestoken moesten worden. Dat ondervond een groepje studenten bij de volgende actie. Frans vertelt: “Wij hadden een godsdienstleraar, een priester, die altijd op de fiets naar school kwam. Vanaf een zekere dag kwam hij ineens met een auto het schoolterrein oprijden. Nu ja, een auto? Hij had het kleinste Fiatje gekocht dat er ooit gemaakt is! Maar fier dat hij daarmee was. Hij bleef er steeds over vertellen, ook in de klas. Toen dachten wij dat we daar toch echt iets mee moesten doen, natuurlijk. Met een ploeg van negen studenten gingen we op een nacht van de slaapzaal naar het parkeerterrein. Om op de ondergrond van grint geen geluid te maken, hebben we het wagentje naar binnen gedragen. Wij plaatsten het in de grote hal recht voor de centrale trap. We wisten immers dat iedereen daar zou passeren op weg naar de refter. Om de grap volledig te maken, pakten we het gehele autootje met wc-papier in. Wij kenden een bepaalde regel in dit internaat. Wie ’s nachts om dringende redenen zijn slaapkamer moest verlaten, diende dat ’s morgens te melden. Wij waren met negen man van onze kamer geweest! Daarom heb ik een briefje met alle negen namen geschreven, met de mededeling dat wij van onze kamer geweest waren. We hebben er nooit iets van gehoord. Ik denk dat de leraren er onder elkaar ook veel plezier mee gehad hebben,” veronderstelt Frans.
In de verhalen die hij ons vertelt, bespeuren we de betrokkenheid bij zijn omgeving, die we ook al opmerkten bij zijn ouders. Dat blijkt temeer wanneer hij ons vertelt over zijn lidmaatschap bij de KSA (Katholieke Studenten Actie). De jeugdjaren van Frans bestonden duidelijk uit meer dan alleen wat echt moest!

Schoolloopbaan
“Eenmaal geslaagd als onderwijzer, wordt mijn eerste aanstelling de vervanging voor twee weken van meester Paulussen aan de gemeentelijke jongensschool in Zevendonk. Daarna krijg ik een aanstelling aan de school die behoorde bij het jongenstehuis te Weelde-Statie. De gebouwen staan nog altijd langs de baan van Weelde naar Merksplas. In dat tehuis woonden kinderen die door justitie uit huis geplaatst waren. Dit tehuis had een eigen basisschool voor bijzonder onderwijs. Daar heb ik gewerkt totdat door tragische omstandigheden een plaats vrijkwam aan de school in Zondereigen. Mijn schoonbroer, die hier onderwijzer was, overleed vrij jong op 1 januari 1969. Ik werd zijn opvolger, dus zo ben ik in mijn eigen woonplaats gaan werken,” beschrijft Frans een deel van zijn loopbaan.

Jef Jacobs maakt als hoofdonderwijzer in Baarle-Hertog het gehele fusieproces mee van de scholen in Baarle-Hertog, Zondereigen en Weelde-Statie. In 1988 gaat hij met pensioen en Frans neemt zijn taak als algemeen schooldirecteur over.
Het valt hem op dat de drie scholen op een of andere manier hun eigen sfeer hebben. Hij verklaart dat uit de gemiddelde bezigheden van de ouders. Weelde-Statie heeft vooral kinderen van arbeiders. De Zondereigense jeugd heeft meer een agrarische achtergrond en in Baarle-Hertog overheersen de neringdoenden. “Op een of andere wijze hebben de achtergronden van de ouders invloed op de sfeer in de scholen,” meent Frans.

Er is sprake van een groeiend leerlingenaantal. Die groei neemt zodanige vormen aan dat men twee schooldirecteuren kan aanstellen. Zo valt het besluit de gefuseerde scholen toch weer op te splitsen. Zondereigen en Weelde-Statie vormen de ene school met een eigen directeur. De vrije gemeentelijke basisschool in Baarle-Hertog wordt de andere, met Frans aan de leiding. Hij vindt dit een verademing. Hij heeft niet meer te maken met twee gemeenten, drie ouderraden, drievoudige lerarenvergaderingen, steeds weer heen en weer rennen en ga zo maar door. Frans kijkt met voldoening terug op zijn directeursperiode in Baarle-Hertog. In 1999 gaat hij met pensioen. Hij is dan vijfenvijftig jaar.

Hier onderbreken wij het levensverhaal van Frans. Er is over de periode na zijn pensionering zoveel te vertellen, dat we u in de volgende Van Wirskaante graag daarover willen informeren.