Deze website gebruikt cookies. Accepteer de cookies als u alle functionaliteiten van deze website wilt gebruiken.

Biografie van pater Ladislas Segers

Artikelindex

 

Deel 2. Eerste Wereldoorlog*07

Mobilisatie

Ladislas was in het klooster van Izegem (bij pater Epiphane) nauwelijks met zijn theologiestudie begonnen, toen hij in 1914 hals over kop in het oorlogsgebeuren verzeild geraakte. “Gelijk bij tooverslag stortte gansch dat innig leven in. Wij werden uit het warm kloosterleven gerukt en op gladdige wereldwegen geworpen. Het slagveld op!”*08

Voor zijn gevoelige natuur was deze overgang van het klooster naar de gevechtseenheid een harde beproeving. “Wij zijn als vissen buiten het water. Wij dromen ervan om terug te keren naar het klooster.”*09

Ladislas maakte de Eerste Wereldoorlog mee als brancardier. Zijn daden van heldhaftigheid werden slechts overtroffen door de onbaatzuchtigheid waarmee hij zijn taak heeft volbracht. Hij was een excellente en onberispelijke brancardier, zonder schrik. Hij slaagde erin om temidden van bloed en vuur ogenschijnlijk een onverwoestbaar en aanstekelijk optimisme te bewaren. Innerlijk echter voelde hij zich arm, moedeloos en lusteloos. Of zoals hij het zelf verwoordde: “De geestdrift mijner jeugd is koud geworden. De kroon viel van mijn hoofd.”*08

Aalmoezenier J. Van der Mueren beschreef hem als “een voorbeeldige kloosterling met diepe godsvrucht, gehecht aan het capucienenklooster en en een steun voor zijn aalmoezenier.”*10

Ladislas ontving zijn oproepingsbevel op 1 augustus 1914. Na vijf jaar trok hij weer schoenen aan en reed met de trein via Kortrijk naar het fort van Hemiksem. Op 3 augustus koos hij voor het 4de linieregiment in Namen, want hij wou Wallonië zien én dichtbij de gevechten zijn. Pater Ladislas verwachtte een Franse inval. De Duitse oorlogsverklaring van 4 augustus kwam voor hem als een donderslag bij heldere hemel.

Aftocht uit Namen

Ladislas volgde zijn regiment naar Landenne-sur-Meuse waar hij soldaten verzorgde op het slagveld. Twee dagen later werd hij betrokken in de Slag bij Champion, waar veel manschappen stierven. Op 23 augustus werden de brancardiers en de dokters naar de Benedictijnenabdij van Maredsous geleid. Daar gaven zij zich op 25 augustus over aan de Duitsers. Alle Rode-Kruismedewerkers werden naar Namen gestuurd. Zij overnachtten bij de Broeders der Christelijke Scholen en ondertekenden een verklaring dat zij geen dienst meer zouden nemen in het leger. Op 27 augustus werden ze vrijgelaten. Zij vertrokken in kleine groepjes te voet richting Waver en Brussel. Daar verbleef Ladislas vier dagen in het kapucijnenklooster, waarna hij met de tram aan de Ninovense Poort ongestoord kon vertrekken richting Izegem.

Hergroepering

De rust in het klooster van Izegem was van korte duur. De gendarmes kwamen begin september langs met het bevel dat alle afgezonderde soldaten terug naar hun depot moesten komen. Om niet herkend te worden bij een tweede arrestatie verwisselde Ladislas zijn kloosterpij tegen het soldatenuniform. Hij liet zijn baard afscheren en vertrok naar de veldpost van het Rode Kruis in Oude-God bij Antwerpen. Daar kreeg hij onverwacht bezoek van zijn vader. Ladislas zag hem maar enige minuten. Het was ook de laatste keer dat zij mekaar hebben ontmoet. Peer stierf in 1916. Ladislas herinnerde zich goed zijn laatste woorden: “Jef, doe immer uw plicht, doch zoek het gevaar niet. Spaar u voor ons.”

Verdediging van Antwerpen

Om te beletten dat de vijand Antwerpen zou omsingelen, stak het regiment van Ladislas in Hemiksem de Schelde over. In Sint-Niklaas werd hij op 14 september 1914 toegevoegd aan de vijfde compagnie van het tweede bataljon van het 13de linieregiment. Gedurende vier jaren heeft hij alle lotgevallen van dit bataljon gedeeld. “Ladis” was zeer geliefd bij zijn medesoldaten. Hij stond bekend voor zijn onverschrokkenheid. Telkens er vrijwilligers gevraagd werden voor levensgevaarlijke opdrachten tussen de gevechtslinies, aarzelde hij geen ogenblik. Zijn lotgenoot en medebroeder Matthias Vermang schreef over hem: “Onversaagd was hij zijn jongens behulpzaam, altijd welgezind en onverbiddelijk trouw aan God en Vaderland. Reeds in onze studententijd noemden wij hem soms den dappere.”*11

Toen de Duitsers besloten om Antwerpen aan te vallen, verbleef Ladislas langs de Schelde tussen Grembergen en Dendermonde, waar de vijand de Scheldebrug bestormde. Nabij Berlare werd hij betrokken in het hevigste gevecht dat zijn eenheid tot dan toe had gekend.

Aftocht naar de IJzer

Daarna kwam het bericht dat de verdediging van Antwerpen moest worden opgegeven en volgde de aftocht via Lokeren. Eerst te voet, daarna met de trein. Na een dag zonder eten of drinken (in een beestenwagen) werden de soldaten gedropt in Eernegem. Van dááruit trokken ze in kleine dagmarsen naar de IJzer. In Keiem trok heel het Belgisch leger de IJzer over. Het regiment van Ladislas dekte de aftocht.

IJzerslag

Na acht dagen wacht in Keiem kwam het 10de regiment het 13de aflossen. ’s Anderendaags werd die eenheid overrompeld. “Ons eerste bataljon liep zich letterlijk dood in een stormloop om Keiem te heroveren. Op de 800 man kwamen er misschien 30 weder.” Ladislas versleurde Belgische en Franse gekwetsten op stokken en in kruiwagens. Berries ontbraken. Hij bleef ter plekke om gewonden te redden, ook toen alle Belgische troepen zich opnieuw over de IJzer hadden teruggetrokken.

Op 17 oktober 1914 volgde de ene aanval na de andere. De beslissing van de oorlog hing van deze gevechten af. Vloekende officieren dreven bevende jongens met de revolver in de armen der dood. Overdag zaten de brancardiers en de dokter noodgedwongen in een hulppost. ’s Avonds gingen zij de gekwetsten halen in de loopgraven.

Na het verlies van de IJzer slaagde het Belgische leger erin stelling te nemen op de steenweg van Oud-Stuivekenskerke, tussen de IJzer en de spoorweg. De gekwetsten moesten achterblijven. Het afscheid van die jongens was hartverscheurend. Van de vijand werden ijselijke wreedheden verteld. Kort daarop liepen de Duitse drommen zich te pletter op de spoorweg. Toen Ladislas de gekwetsten ophaalde, waren de Duitsers maar op drie meter afstand, aan de overkant van de spoorweg.

Overal in de grachten hielden de Duitsers zich verscholen. Die grachten liepen stilaan vol water omdat in Nieuwpoort op geregelde tijden de sluizen werden opengezet. Belgische en Duitse gekwetsten lagen op het slagveld verspreid. Zij zagen het water stijgen en werden langzaam overspoeld. Op 31 oktober 1914 was de IJzerslag uitgevochten. Ladislas had honderden gekwetsten vervoerd. Zijn hart had gebloed van medelijden. Het slagveld werd een onoverzienbare watervlakte, waar opgezwollen mensen- en dierenlijken bovendreven.

Begin van de Loopgravenoorlog

Rond nieuwjaar 1915 trok Ladislas naar Sint-Joris bij Nieuwpoort. De loopgraven bestonden daar uit een aarden dam waarachter banken stonden. “Daarop zaten wij 24 uren lang. Ge kont er niet geraken zonder tot aan de knieën in de slijkpap te zitten en als ge dan op uw banksken zat, vroos uw kapot en saarsje vast in ’t water.”

Eind januari 1915 werd het regiment naar Steenstrate gezonden. Daar was geen overstroming. De gruwel van de IJzerslag was er nadrukkelijk aanwezig. Overal lagen Franse lijken. De raven trippelden rond en pikten in hun handen en gezicht.

Eind februari 1915 kwam het 13de linieregiment ver achter de frontlijn tot rust in De Panne en Ghyvelde (Fr.). Op 21 april 1915 werd pater Ladislas in De Panne tot subdiaken gewijd door Mgr. De Wachter. Daarna keerde zijn legereenheid terug naar de omgeving van Nieuwpoort, eerst naar Steenovens en van april tot oktober vervolgens naar Ramskapelle, waar Ladislas zich andermaal onderscheidde.

De Violette

Voor zijn dappere gedrag tijdens de stormloop op de boerderij De Violette in de nacht van 9 op 10 mei 1915 werd Ladislas op het Noordzeestrand persoonlijk de Militaire Medaille van Tweede Klas opgespeld door Koning Albert. Op 15 september 1916 ontving hij voor deze moedige daad bovendien het Oorlogskruis (Koninklijk Besluit nr. 4301).*03

“Een bende vrijwilligers kwam ons vervoegen en vier dagen daarna kregen die arme schachten reeds den vuurdoop: wij moesten de Violette in gaan nemen, een versterkte vijandelijke hoeve. In dien nacht die voor velen de laatste zou zijn, stapten wij over de loopbruggetjes met daverenden stap naar de menschenslachting, naar de dood. En vreedzaam schreeuwden de watereenden hun vaarwel toe. Dan, op een gegeven teeken, terwijl al de kanonnen te gelijk ontbrandden, moest onze kompanie holder de bolder de 6de kompanie voorbij stormen met tuitende klaroenen in tap en de mannen huilden en brieschten. Duivelsch tafereel! Die stormloop - slecht voorbereid, slecht geleid en slecht uitgevoerd - mislukte deerlijk. Wij wierden pal gezet door de Duitsche mitrailjeuzen die een onoverkomelijk versperringsvuur uitoefenden. De roekeloosten sprongen toch vooruit, maar ’t was telkens een sprong in de armen der dood. En toen moesten wij vluchten, over slooten en grachten, onze gekwetsten meeslepende en de kogels in den rug. Veertig man kostte ons die stormloop en ik geleek een beenhouwer, zoo was ik beklad met menschenbloed. En maanden daarna hongen de lijken onzer helden ginder nog in den Duitschen prikkeldraad, ten prooi voor de raven.”

In oktober 1915 werd Ladislas bevorderd tot korporaal-brancardier. Diezelfde maand mocht het 13de linieregiment voor een langere periode op rust naar Izenberge en Bray-Dunes (Fr.). Ladislas vertrok met pater Ireneus een eerste keer via Parijs op verlof naar Lourdes. “Onder Maria’s zegen ben ik vertrokken, hare bescherming is bij mij gebleven want sedertdien werd mijn makker juist nevens mij neergeschoten en een andere werd door een obus gekwetst in den schuilhoek zelf waar ik ook in zat.”*12

Diksmuide en opnieuw Ramskapelle

Op 6 december 1915 werd het 13de linieregiment gestuurd naar de loopgraven vóór Diksmuide, de gevaarlijkste Belgische sector. Met Kerstmis 1915 zat Ladislas in de eerste lijn. ’s Nachts hoorde hij in de verte de zingende Duitsers. Bij Diksmuide ontving Ladislas Segers het bericht van de berechtiging van zijn vader.

Vanaf 11 mei 1916 werd het 13de regiment rust gegund in De Panne en Bray-Dunes. Van juni 1916 tot maart 1917 verbleef Ladislas met zijn eenheid in Ramskapelle-Pervijze, het overstroomde slagveld waar het niet gevaarlijk was. Op rust lag Ladislas in Wulpen. In de zomer van 1916 reisde Ladislas een tweede keer naar Lourdes, opnieuw via Parijs.

De verschrikkelijke winter van 1916-1917 werd in Ramskapelle doorgebracht. Die winter ging Ladislas op retraite bij de Trappisten in Soligny (Orne, Fr.). Dat was nodig omdat hij walgde van “de beestige ontucht der soldaten en van de wulpse bekoring der inwoners.”

Boezinge

Begin mei 1917 werden de soldaten van het 13de linieregiment met kloppend hart voor twee maanden naar het front in Boezinge gestuurd. Aan het Sas, “de streek waar gestorven werd”. Ladislas maakte er voor het eerst kennis met gifgassen. “Het was nacht en wij zagen niets, doch het rook er plotseling als naar de gestoofde appelen. Terwijl wij haastig ons masker opzetten, voelden wij ons aardig worden gelijk mannen die ziek zijn van ’t smoren. Tranen stroomden uit ons oogen en de noodsignalen dreunden door den nacht met een geluid als van loeiende monsters om de manschap te verwittigen.”

Op 7 juni 1917 werd Ladislas rust gegund in Frans-Vlaanderen. Het waren eindeloze marsen door de brandende zon, dertig kilometer met een zware ransel op de rug. Van daaruit trok Ladislas voor de tweede keer op retraite naar de Trappisten in Soligny. In oktober 1917 reisde hij via Parijs naar Nevers om er het vluchtelingenwerk te bekijken. Vervolgens ging hij voor de derde keer op bedevaart naar Lourdes.

Vlaming

Omstreeks diezelfde maand kwam het bevel om jacht te maken op Vlaamsgezinden, de zogenaamde Blauwvoeten. “Met brutale hand ontwortelde de militaire overheid ons Eglantierke. Alle studiekringen werden afgeschaft omdat daar Vlaamsche kultuur in zat. Huiszoekingen en gevangenzetting grepen plaats, aalmoezeniers wierden gebroken en verbannen, brankardiers uit ons midden weggerukt, korporalen en sergeanten hun graad afgetrokken. Voor de geestelijken kwam vanwege Mgr. Marinis het verbod om nog aan Vlaamsche politiek mee te doen. Die vervolgingen deden de Vlaamsche zaak met reuzenstappen vooruit gaan. Leve de bestuurlijke scheiding, tot spijt van wie ’t benijdt! Nu of nooit zal Vlaanderen leven, nu of nooit ten gronde gaan!”

Ook Ladislas voelde zich aangesproken om te vechten voor Vlaanderen door het onrecht dat de gewone Vlaamse soldaat werd aangedaan door de overwegend Waalse bevelvoerders. “Iets dat mij deerlijk heeft getroffen is het slavenschap van Vlaanderen. Ik wist daar wel iets van, maar nevens onze treurliederen hadden wij ook zegezangen die op een grootsch volk deden denken. Doch we zijn een slavenvolk. Ik ben fier in het leger te zijn. In het leger dat kampt voor het ridderlijk gegeven woord, voor de eerlijkheid dus! Doch moet er geen ander lied ontstaan? Een lied van vlam en vuur. O! Gij moest eens weten hoe het soms woelt en stormt in mij...*08 Mijn leven voor Vlaanderen en Vlaanderen voor God. O, mocht ik dat winnende, sneuvelen. Uw arme Ladislas.”*13

In 1946 beschreef pater Ladislas zijn Vlaams-Nationalisme alsvolgt: “En ik herdenk hoe ik ermee dweepte en voorzeker had weergekomen in de rangen van het revolutionair Vlaamsche leger met den eersten oorlog, indien de revolutie had doorgegaan. Stuk voor stuk zijn veel dingen doodgegaan in mij.”*14

Modder

Na vijf maanden rust trok Ladislas op 13 november 1917 naar het front, met de bedoeling om Diksmuide stormenderhand in te nemen. Doch de Italiaanse nederlaag legde het Vlaams offensief stil. In Merkem werden in volle slag de beste Franse stoottroepen afgelost. “Dat slagveld was meters diep omgewoeld. Om u voor te stellen hoe dat land gesteld was: beeldt u twaalf man in, noodig om een gewonde te verdragen en dat zij met hun gewonde uren onderweg bleven om hem eenige honderden meters weg te voeren. Hoe verhard ons gemoed ook was, toch geraakten wij soms nog onder den indruk van de doodelijke angsten wanneer wij menschenlijken met stukken en brokken bijeen moesten rapen en in zakken vullen.”

De Slag bij Passendale

Vanaf maart 1918 volgde een rustperiode in Hondschoote (Fr.). Vandaar trok Ladislas naar de loopgrachten bij Lo, aan de IJzer. Intussen was het Duits monsteroffensief ontketend. In allerhaast werd het regiment van Ladislas naar Langemark geroepen om Engelse legers te ontzetten. Toen de vijand zijn offensief uitbreidde naar Ieper, geraakte het 13de linieregiment betrokken in de Slag bij Passendale. Op 20 april 1918 bekommerde Ladislas zich met frater Tarcis van Oostende om de vele gewonden. “Samen verdroegen wij een gekwetste onder de bescherming van de Rood-Kruisvlag, in klaren dag en op eenige stappen van den vijand. Eerst verliep alles goed; maar weldra hoorden wij schieten doch wisten niet dat ze op ons mikten. Een kogel nevens mijn ooren doet mijn hoofd zinderen. Ik stel voor op den grond te gaan liggen, Tarcis wil eerst de helling over... en plots glijdt de berrie uit zijn handen. Terwijl ik naar den kermenden gekwetste grijp, loopt Tarcis voorop. Ik hoor hem zeggen: ‘Ei! Ik ben gekwetst.’ Wij waren niet ver van een schuilhoek. Daar wordt hij verzorgd en verdragen terwijl ik bij den anderen gekwetste blijf. ’s Anderendaags overleed Tarcis in het gasthuis na folterende pijnen. Een kogel had zijn buik doorboord.” Zijn begrafenis vond plaats in West-Vleteren op 25 april 1918.*15

Deze gebeurtenis bezorgde pater Ladislas een ‘shellshock’, die hem voor de rest van zijn leven zou bijblijven. Peter Ryan, één van zijn Canadese oud-misdienaars, getuigde: “De eerste keer dat ik zijn shock opmerkte, was in de kerk van St.-Mary, Chatham Street in Blenheim. Hij stond een tijdje bewegingsloos voor het missaal bij het altaar. Toen ik naar hem toeging, leek hij te mediteren. Ik stond naast hem en wachte ongemakkelijk tot hij zou verdergaan met de misviering. Ik begreep niet wat er gebeurde en ietwat beschaamd stamelde ik: ‘Father?’. Met een lichte beweging van zijn hoofd en een lach in mijn richting vervolgde hij de mis in het Latijn. Pater Ladislas heeft nooit zoals al zijn medebroeders getracht om zelf een auto te besturen. Pas later begreep ik waarom: omwille van zijn abscences veroorzaakt door de shellshock.”*16

De shock ten gevolge van het oorlogsgeweld uitte zich ook in een overgevoeligheid. Ladislas kon onmogelijkheid nog afscheid nemen. Typisch was de manier waarop hij na de oorlog de soldaten verliet waarmee hij jarenlang had opgetrokken. Dat was emotioneel teveel voor hem. “Plotselings wierp ik mijn ransel op den rug en vluchtte weg zonder iemand vaarwel te zeggen. Ik kon het niet.” Ladislas nam geen afscheid als hij ergens had gelogeerd. Ook op de boot naar Canada (1949) was hij hiertoe niet in staat.*17

Ontspanning en vorming

Op vraag van pater Franciscus (Izegem) noteerde Ladislas al zijn uitgaven, “wat moeilijk is daar wij voor ons eigen kost moeten zorgen.” *08 Waaraan hij zoal geld besteedde? “Kaarsen, gazetten, tram, bier, chocolat, tabak en stekskens... *18 De priesters smoren hier allemaal et il faut qu’au bivouac le soldat fume.” *19 Opmerkelijk zijn de onkosten voor de aankoop van een voetbal (tweemaal 1,25fr). *18 Het betreft waarschijnlijk schenkingen aan de jongens van zijn compagnie.

Ladislas heeft het altijd moeilijk gevonden om tijdens de oorlog zijn diepste gevoelens te verwoorden. “Een mensch moet tegenwoordig zulke gruwelen zien en hooren dat niets meer in hem van impressie tot expressie gewordt.” *20 Maar in de tweede helft van 1916 schreef hij enige artikels over frontindrukken voor de Belgischen Standaard. Ladislas behoorde tot de eerste en naderhand tot de trouwste medewerkers van pater Ildefons Peeters toen deze in 1915 het blad lanceerde. *04 Ladislas Segers toonde sympathie voor het Vlaamsgezinde blad dat het moreel van de frontsoldaat trachtte op te krikken. “Ik kom toejuichen om Uwen, onzen Standaard.”*21

Ladislas en Ildefons behoorden tot dezelfde orde. Zij kenden mekaar van het klooster ‘de Boeverie’ in Brugge. Ladislas keek op naar pater Ildefons. Hij was dan ook verheugd toen laatstgenoemde in 1918 werd aangesteld als overste voor de kapucijnen aan het IJzerfront.*22 Ook na de oorlog, toen pater Ildefons in Wallonië verbleef, hielden ze schriftelijk contact.*23 In 1918 zorgde Ladislas Segers in zijn compagnie voor de verdeling van den Belgischen Standaard. Telkens vroeg hij om een aantal exemplaren op te sturen, schommelend tussen 36 en 45.

Ladislas vond een stichtend boek in de loopgrachten het beste middel om de zedenverwildering te bestrijden. Daarom had hij het ambt van bibliothecaris op zich genomen.*12 “In mijne compagnie zijn er gedurig 45 boeken in omloop.”*24 Zelf besteedde hij de nodige aandacht aan zijn studies. Zo weten we dat hij in Oeren bij de hoeve Vrinds (of Devriendts), waar de aalmoezenier een kamer huurde voor de brancardiers, in zijn haast een studieboek achterliet toen het bataljon bij zijn terugkomst uit Lourdes onverwacht moest vertrekken.*25

Eindoffensief

In het begin van de zomer 1918 kreeg het 13de linieregiment weer de sector van Diksmuide tot Oud-Stuivekenskerke te verdedigen. Het was er kalm, al woedden er soms vervaarlijke bommengevechten. De ergste plaag waren nog de muggen. Je zag daar in de lucht soms zwermen muggen gelijk rookwolken en hun gegons was gelijk het ruisen der zee. Na de vierde Lourdesreis van Ladislas was er alleen nog sprake van het groot offensief. Op 28 september 1918 werd de aanval ingezet en op 14 oktober 1918 kwam de grote doorbraak. Nog enige dagen werd gevochten langs het kanaal van Schipdonk, maar op 2 november 1918 werd het water overgestoken. Vervolgens ging Ladislas met zijn legereenheid rusten in Sint-Pietersveld.

Na de wapenstilstand op 18 november 1918 begon hun zegetocht door Vlaanderen. “Met de muziek vooraan togen wij door de bevlagde dorpen en steden. Toen beleefde ik den zoo driftig verlangden dag, den dag die vier jaar lang in mijn droomen had gespeeld. Den dag mijner zalige huisvaart, naar moeder en al mijn beminden. O die verrassing, o dat kussen! En wat een zotternij in ’t lieve heidedorpken als held weder te keeren na de zegenrijke oorlog.”

Na de oorlog

Na de enthousiaste verwelkoming in Zondereigen volgde Ladislas zijn legerafdeling naar Aken (Duitsland), waar hij deel uitmaakte van het bezettingsleger. Op 6 december 1918 werd hij naar het brancardierskamp in Veurne gezonden. Er was daar een tekort aan ziekenverplegers.

Op 29 januari 1919 werd Ladislas ingeschreven bij de Hogeschool-compagnie in Gent. Een dag later werd hij bevorderd tot sergeant-brancardier. Hij logeerde in het klooster van Aalst omdat het klooster van Izegem bezet werd door Franse troepen. Eind mei werd Ladislas opnieuw onder de wapens geroepen en verbleef hij in Namen. Beurtelings werd hij naar St.-Truiden en Antwerpen gestuurd om er bureelwerk te doen. Vanaf 1 juli 1919 verbleef Ladislas opnieuw in Aalst en op 15 augustus 1919 werd hij met onbepaald verlof uit het leger weggezonden.*26 “Nu is die oorlog gedaan. Ik ontwaak als uit een schrikkelijken droom en zie weer het zalig kloosterleven voor mij opengaan.”*27

Ladislas was houder van het IJzerkruis, de Overwinningsmedaille (19 april 1921), de Medaille van de Strijder-Vrijwilliger 1914-1918 (21 juli 1936), de Medaille der Geallieerden (19 april 1921), de Militaire Medaille van Tweede Klasse (1915) en het Oorlogskruis met twee palmen (1916). In 1916 werd hij geridderd met de Orde van Leopold.*28 Nooit echter heeft pater Ladislas met zijn decoraties gepronkt. Hij was een mens zonder grootdoenerij. Het wegdragen van gekwetsten uit de vuurlijn beschouwde hij als een daad van menslievendheid, niet als een heldendaad.*29