Deze website gebruikt cookies. Accepteer de cookies als u alle functionaliteiten van deze website wilt gebruiken.

Geschiedenis

Geschreven door Admini.

1. Henricus van ‘Sonderheighen’ (1251, oudste vermelding)
2. Legende van de Noorman Gelmel, heer van Zondereigen (9de en 10de eeuw)
3. Hoeve van de abdij van Tongerlo in Zondereigen (1440)
4. Het ontstaan van de parochie Zondereigen(1464-1842)
5. De pest in Zondereigen (1664-1665)
6. Grensconflicten in Zondereigen (1831)
7. Smokkelen in Zondereigen: een gat in de grens (1843-1974)
8. Dodendraad in Zondereigen (oorlogsjaren 1914-1918)
9. Verwoestende bevrijding van Zondereigen (oorlogsjaren 1940-1945)
10. Naamsverklaring

1. Henricus van ‘Sonderheighen’ (1251, oudste vermelding)

De oudste vermelding van Zondereigen treffen we aan in een Latijnse tekst uit het archief van de voormalige Sint-Michielsabdij van Antwerpen. Het oorspronkelijke cartularium is niet bewaard gebleven, wel een 14de eeuws afschrift op perkament. Het bevindt zich in het Rijksarchief te Antwerpen (St.-Michiels nr.3, p.104, dd.1355-1356):

Omstreeks 1124 werd een hele reeks Kempische goederen geschonken aan deze zopas gestichte Norbertijnerabdij. De vage omschrijving van de landgoederen gaf aanleiding tot betwistingen. Toen een aantal inwoners van Weelde het in 1251 had gewaagd om op Drielaar zes karren hooi te stelen, werd door de Merksplasse bevolking klacht ingediend bij de plaatselijke schepenbank. Omdat de hooidieven echter tot een ander rechtsgebied behoorden, werd de klacht doorgezonden naar de hertog van Brabant.

Hertog Hendrik III van Brabant stuurde nog datzelfde jaar de schout van Antwerpen naar Merksplas om er de dorpsgrenzen vast te leggen. Schout Zimarus trommelde zes oude en betrouwbare mannen uit Merksplas en omgeving op: Rabodonem de Merxblaes, Gilbertum de Wortele, Walterum de Boschoven, Arnoldum Moer, Johannem Bodonc en... Henricum de Sonderheighen. ‘De’ betekent ‘van’ en de uitgangen ‘-um’ en ‘-em’ staan er omwille van de Latijnse verbuiging: in de tekst staan de vermelde namen in de accusatief of vierde naamval. ‘Henricus van Sonderheighen’ is de oudste verwijzing naar de leefgemeenschap Zondereigen. Als grenspunten tussen Merksplas en Zondereigen werden vermeld: ‘Coeberch, Ovenhout en Drilaer’.


2. Legende van de Noorman Gelmel, heer van Zondereigen (9de en 10de eeuw)

De legende van de Noorman Gelmel werd in Zondereigen van generatie op generatie mondeling overgeleverd. Pater Ladislaus (Jozef Segers) noteerde het verhaal in zijn dichtbundel ‘Gelmellied’ (1956). Volgens de legende is Zondereigen al veel ouder dan 750 jaar, een bewering die ondersteund wordt door archeologische vondsten en plaatsnamen. De eerste mensen verbleven lang voor onze tijdrekening in jagershutten langs de riviertjes het Merkske en de Noordermark. We gaan ervan uit dat de eerste permanente bewoning in Zondereigen dateert uit de Frankische tijd.

De legende van de Noorman Gelmel belicht de geschiedenis van Zondereigen en omstreken omtrent de negende en tiende eeuw van onze tijdrekening. De Zondereigense nederzetting werd toen opgeschrikt door Noormannen die met hun snekken de Noordermark kwamen opgevaren. Op Ginhoven gingen zij aan wal om te plunderen. De rovers vertrokken, verhandelden de buit in een verre streek en keerden telkens opnieuw terug. ‘Van Noorman wreed, verlos ons, Heer’ werd eeuwen later nog in Zondereigen gebeden.

Op een zekere lentedag landden alweer Noormannen op Spie, waar de Noordermark in het Merkske vloeit. Deze keer echter waren er vrouwen en kinderen aan boord en... hun leider, Gelmel, bleek zowaar een vriendelijk man te zijn. De groep wou zich vestigen op Ginhoven. De graaf stemde toe en benoemde Gelmel tot leenman van Zondereigen. Ter verdediging werd een motteburcht opgericht: op een kunstmatig opgeworpen heuvel (motte) met een gracht rond de voet werd een houten toren of opperhof gebouwd met een palissade errond. Op het lager gelegen neerhof, dat eveneens omringd was door een gracht en een palenmuur, stonden hoevegebouwen en huizen van ondergeschikten. De westgrens van het leen werd versterkt met een stakenheuvel als een eerste schans tegen indringers via het water. Plaatselijke toponiemen als Vossenberg, Wijdhof (omheind hof) en Staakheuvel lijken de legende te bevestigen. Jammer genoeg werd de motte afgegraven in 1957.

De plaatselijke bevolking bleef na de oprichting van het Wijdhof gespaard van verdere invallen. De prijs die daarvoor werd betaald, was duur: de vrijheid moest worden ingeleverd en de landbouwers werden als laten verbonden aan de herenboerderij op Ginhoven. Het aanzien van Gelmel groeide en met succes dong hij naar de hand van Beatrijs, dochter van de heer van Breda. Dit wekte afgunst op bij de heer van Weelde. Omstreeks het jaar 910 kwam het tot een twist die uitliep op een tweegevecht. Gelmel kwam als overwinnaar uit de strijd toen hij de heer van Weelde om het leven bracht.

Daarop trok Gelmel het pelgrimskleed aan, vervoegde een bedevaarderskaravaan en trok als boeteling op weg naar het Heilige Land. Gelmel keerde niet meer terug naar zijn vrouw, noch naar het Wijdhof. Beatrijs kreeg nooit een bericht van wat haar man was overkomen. Eenzaam treurend bleef ze op Gelmel wachten in Breda. Het verhaal van de weggebleven heer verklaart ook de naam Zondereigen: het leen immers viel toen ‘zonder eigenaar’. Tot zover de legende.


3. Hoeve van de abdij van Tongerlo in Zondereigen (1440)

Het leen van Ginhoven, volgens de legende de voormalige herenboerderij van Gelmel, kan bij de aanvang van de vijftiende eeuw worden gezien als het centrum van de landbouwbedrijvigheid en omvatte geheel Zondereigen. Wellicht betreft het dezelfde hoeve die in oude geschriften wordt aangeduid als ‘hoeve TerBorcht in Zondereigen’. In 1403 behoorde het leen toe aan Lysbet van Ginhoven, in 1428 aan Jan Pauwels.

Op 4 maart 1440 werd de eigendom verkocht aan de abdij van Tongerlo. De pachthoeve van zestig bunder telde toen 32 laten: landbouwers die bij de grond hoorden en dus mee verkocht werden. Het leengoed omvatte tevens vele cijnzen en pachten, niet alleen in Zondereigen maar ook in Baarle-Hertog en Meer.

In 1443 schonk Filips de Goede aan de abdij van Tongerlo het recht om in Zondereigen een eigen laatbank in te stellen, bestaande uit een meier en zeven schepenen: de laatbank van Ginhoven. Voortaan konden ter plaatse rechtshandelingen worden gesteld. In 1488 telde de ‘Grondheerlijkheid van Sondereijghen’ 66 leenmannen en alsmaar meer grond werd door hen ontgonnen.


4. Het ontstaan van de parochie Zondereigen (1464-1842)

De kapel van Zondereigen wordt voor het eerst vernoemd in 1464. Ze was onderhorig aan de Sint-Remigiusparochie van Baarle en hoorde als dusdanig bij het bisdom Luik. Van bij het begin was de kapel gewijd aan de heilige Rumoldus, een Schot of een Ier die leefde in de achtste eeuw. Van hem wordt verhaald dat hij bisschop van Dublin is geweest en dat hij als kluizenaar in Mechelen heeft gemissioneerd. Zijn feestdag is 1 juli. Eeuwenlang werd hij aangeroepen tegen allerlei kwalen zoals ‘koningszeer’, gezwellen, slechte ogen en andere lichamelijke gebreken.

In 1649 werd van de bomen in de kapelhof een kapelaanshuis gebouwd met een school eraan. Er stonden toen 29 huizen in Zondereigen en alles samen kwamen zo’n 135 inwoners ter communie.

In 1698 slaagde kapelaan Heylens erin ‘uyt de silvere caste van Mechelen’ relikwieën van de H. Rumoldus te bekomen. Die werden in processie overgebracht door duizenden bedevaarders. Zondereigen werd vanaf dat moment een vermaarde bedevaartplaats. Zo werd op 29 juni 1700 Adriana Schoenmaeckers van Turnhout naar Zondereigen gevoerd om haar te laten zegenen. Ze verbleef er 18 dagen. Voor haar verblijf, mondkosten, het opdragen van missen, offerpenningen en het terughalen met de kar werd haar een som van negen gulden en tien stuivers aangerekend. Bovendien werden nog betalingen gedaan voor wijn, suiker, vijgen, rozijnen en andere ‘noodzakelijkheden’.

Rond 1700 en 1734 probeerde Zondereigen tevergeefs onafhankelijk te worden van de moederkerk in Baarle-Hertog. Als belangrijkste reden voor de vraag naar zelfstandigheid werd de verre afstand tot de parochiekerk vernoemd. Die bedroeg zo’n vijf kilometer. In de daaropvolgende jaren bleven zich spanningen voordoen en werd de band met de parochie Baarle geleidelijk losser. Vanaf 1818 mocht de dienstdoende priester van Zondereigen ook doop, huwelijk, begrafenis en paascommunie voor zijn rekening nemen. Bovendien werden toen de buurten Heikant, Lipseinde, Bloksgoor en deels ‘t Geheul, die gemeentelijk bij Merksplas behoren, kerkelijk bij Zondereigen gevoegd. In 1842 werd Zondereigen een zelfstandige parochie: de kapel werd verheven tot kerk en kapelaan Jan Baptist Heylen werd de eerste pastoor.


5. De pest in Zondereigen (1664-1665)

In 1664 brak de pest uit in Zondereigen. Rond het Paasfeest werden diverse lijken uit het huis van Schuermans gedragen. Toen nog meer mensen in Zondereigen stierven, merkte men plots dat er sprake was van een pestepidemie.

De inwoners van Baarle-Hertog en Baarle-Nassau werden door vrees bevangen en vluchtten alle kanten uit wanneer ze iemand van Zondereigen opmerkten. Uit vrees voor besmetting begonnen ze zich te verzetten tegen de begrafenis van Zondereigense pestlijken rond de Baarlese Sint-Remigiuskerk. Ze beriepen zich op de oude gewoonte om pestdoden ter plaatse te begraven.

De inwoners van Zondereigen van hun kant stelden zich na het kerkhofverbod vijandig op tegenover de Baarlese pastoor Gerardus van Herdegom, witheer van de abdij van Tongerlo. Ze verboden hun kapelaan-schoolmeester Jacobus van der Graeff nog langer pestzieken te bezoeken of te bedienen. Het ziekenbezoek, de ziekenzalving en het begraven behoorden volgens hen uitdrukkelijk tot de taken van de hoofdpastoor.

Laatstgenoemde wou op de Tommel een akker voor het begraven vrijmaken. Dit gehucht ligt even buiten het centrum van Baarle, langs de weg naar Zondereigen. Maar de pastoor stootte op het verzet van bewoners van deze buurt: arme wevers gingen in hun buurt gewapend patrouilleren zodat de lijken tijdelijk niet meer konden worden begraven.

 

Van Herdegom verkreeg daarop tot grote ontsteltenis van de inwoners van Zondereigen toestemming van de bisschop van Antwerpen om tijdelijk een andere priester in de kapelwoning van Zondereigen te installeren en een deel van de kapeltuin als begraafplaats in te wijden. De kapelaan van Zondereigen werd uit zijn huis gezet! Protesten bij de Antwerpse bisschop en bij de Raad van Brabant in Brussel mochten niet baten.

Rodulphus Buckenberghs, kapelaan van Baarle, was bereid om in Zondereigen als pestpastoor op te treden. Zo bleef pastoor van Herdegom buiten besmettingsgevaar. Buckenberghs was niet te benijden: deze witheer was niet alleen ongewenst in Zondereigen, hij leefde ook volledig geïsoleerd (hij werd door de gezonde dorpelingen geweerd ‘als de pest’) en riskeerde bovendien zelf besmet te worden. Anderhalf jaar duurde het vooraleer de epidemie was verdwenen.

Kapelaan Buckenberghs overleed op 17 september 1669 aan de gevolgen van de pest nadat hij ook in Baarle de taak van pestpastoor op zich had genomen. Hij werd slechts 36 jaar oud. In alle stilte werd hij begraven in de Sint-Remigiuskerk. De plechtige rouwdienst vond pas veel later plaats: op 7 december 1669.


6. Grensconflicten in Zondereigen (1831)

Op 25 augustus 1830 ontstonden er rellen in Brussel. Die ontaardden in de dagen en weken daarna in een volksopstand. Op 4 oktober werd door de voorlopige Belgische regering de onafhankelijkheid uitgeroepen. De Nederlanders werden verdreven en het het was onrustig in onze streken.

De grote mogendheden riepen in Londen een conferentie bijeen en legden de vechtende partijen een wapenstilstand op. Verdere onderhandelingen brachten geen snelle oplossing: de oorlog tussen België en Nederland duurde voort tot 1839. Voortdurend waren er militairen in de streek aanwezig en er heerste een gespannen sfeer.

Baarle-Nassau en Baarle-Hertog werden na de nodige schermutselingen stilzwijgend als neutraal beschouwd en bleven daarom vrij van inkwartiering. Daarom ook was Baarle een zwakke schakel in de verdediging van de grens. De Nederlanders maakten daarvan gebruik om op 2 augustus 1831 het opstandige België binnen te vallen. Op die eerste dag van de Tiendaagse Veldtocht zette het Nederlandse leger zich in beweging. Op de heide onder Chaam verzamelde zich de Eerste Divisie. Na een laatste inspectie door de prins van Oranje werd de divisie tot een gevechtscolonne geformeerd en werd opgerukt richting Baarle-Hertog.

Het dorp bleek onbezet te zijn. Op de omliggende akkers ontwaarde men vier Belgische douaniers, die zich tussen het graan trachtten te verschuilen. Drie van hen sloegen op de vlucht terwijl de vierde een mislukt schot loste. Een inmiddels aangegaloppeerde wachtmeester doorkliefde met een sabel ’s mans rechterhand. De prins van Oranje meldde vanuit het hoofdkwartier te Baarle-Hertog aan de bevelhebber (zijn vader): ‘...dat de eerste beweging van het leger, overeenkomstig de gegevene dispositiën van den dag van gisteren is ten uitvoer gebragt. Ingevolge waarvan de eerste divisie voorwaarts van Baerle-Hertog staat, hebbende de voorposten te Sondereygen en Baerle-Brugge.’

In Zondereigen werd gevochten tussen het tweede bataljon Jagers en een Belgische eenheid onder leiding van generaal Niellon, wier sterkte werd geschat op 400 man. Drie Nederlandse vrijwilligers raakten gewond langs de weg die in de volksmond nog altijd ‘de Strijstraat’ wordt genoemd. Aanvankelijk werden de Nederlanders teruggedrongen maar bij het aanrukken van Nederlandse versterking trok Niellon zijn manschappen terug. In de loop van de volgende dagen verplaatste het strijdtoneel zich veel meer naar het zuiden en konden de Zondereigense landbouwers in alle rust hun platgetrapte graan binnenhalen.

Het Nederlandse leger werd na tien dagen buitengedreven en de veldtocht bracht een intensief diplomatiek overleg op gang. Op 15 oktober 1831 werd een ontwerp voor een definitief tractaat gepubliceerd, de zogenaamde Vierentwintig Artikelen. België wilde het verdrag ondertekenen, alhoewel er weinig animo voor te vinden was. Koning Willem I weigerde echter en de zaak zat muurvast. Pas op 10 maart 1838 gaf de koning te kennen dat hij alsnog de Vierentwintig Artikelen wou aanvaarden. In Londen werd de conferentie tussen de grote mogendheden heropend en op 19 april 1839 werd de vrede tussen België en Nederland ondertekend.


7. Smokkelen in Zondereigen: een gat in de grens (1843-1974)

Na het ondertekenen van het vredesakkoord tussen België en Nederland moesten grensscheiders van beide landen de precieze grenslijn afpalen van Vaals tot Cadzand. Na vergeefse pogingen tot opheffing van de enclavesituatie in Baarle-Hertog en Baarle-Nassau, slaagde de gemengde commissie er in 1843 niet in om een ononderbroken grenslijn tussen Nederland en België vast te stellen. De grenslijn stopte op het aanrakingspunt van de gemeenten Alphen en Poppel met Baarle en vertrok opnieuw bij het snijpunt van Baarle met de gemeenten Chaam en Meerle.

Zo ontstond ook in Zondereigen een fameus gat in de grens: een waar smokkelparadijs. Deze toestand zou blijven duren tot 26 april 1974. Toen werd in het stadhuis van Turnhout een protocol ondertekend waardoor het gat in de grens werd gedicht: Zondereigen werd voortaan van het Nederlandse Baarle-Nassau gescheiden door een officiële rijksgrens.


8. Dodendraad in Zondereigen (oorlogsjaren 1914-1918)

Medio 1915 brachten de Duitse bezetters langs heel de grens tussen België en Nederland een elektrisch geladen draadversperring aan. Die bestond uit zeven hoogspanningsdraden boven elkaar, met een onderlinge afstand van 30cm. Aan weerszijden hiervan was een niet-geladen beschermende afrastering gespannen, iets lager dan de hoofddraad en op een meter afstand ervan. Op Belgisch gebied liep aan de zuidkant van de drie draden het patrouillepad, waar op enkele tientallen meters van elkaar continu Duitse ‘piekhelmen’ op en neer liepen, het geweer schietklaar.

De inwoners van Zondereigen ervaarden deze situatie als enorm bedreigend en uiterst ingrijpend. De draad ontkoppelde Zondereigen rigoureus van Baarle-Hertog. Zelfs de Zondereigense vertegenwoordigers in de gemeenteraad van Baarle-Hertog mochten de grens niet passeren. Geen wonder dat men probeerde de dodendraad te trotseren, bijvoorbeeld om brieven over de grens te smokkelen. Met rubberen handschoenen aan werd door middel van een vouwraam door de versperring gekropen. Zo’n vouwraam of plooiboom is een zeshoekig, met rubber bekleed, scharnierend houten instrument dat men tussen de draden plaatste om ze vervolgens uit elkaar te drukken.

De dreiging van de draad bleef groot: meerdere mensen werden ‘doodgebliksemd’ of bij een vluchtpoging neergeschoten. In 1916 vielen ook in Zondereigen twee doden aan de draad.

Van medio 1917 dateert een tekening met tekst uit het franstalige blad ‘Le Miroir’: een journalist bracht ter plaatse verslag uit aan zijn lezers. Eén van hen was een aan het IJzerfront gelegerde Baarlese soldaat. Zijn aandacht werd getrokken door het drama uit zijn eigen dorp. Hij scheurde de pagina uit de krant en bewaarde die in zijn borstzak. De vertaling van het kantenartikel luidt alsvolgt: ‘Een Belg door de Duitsers gedood in Nederland. Pratend met zijn dochter aan de grens is een inwoner van Baarle-Hertog gedood. Baarle-Hertog, een klein Belgisch dorp van 1200 zielen ergens gelegen op Nederlands grondgebied, is door deze speciale geografische ligging behoed gebleven voor de bezetting. Op zeker moment naderde een inwoner van dit dorp de versperring van ijzeren draden langs de grens om er met zijn dochter te praten die in het in België gelegen Zondereigen woont. De Duitsers openen het vuur op hem. De man, geraakt in zijn flank, werd door Hollandse soldaten opgepakt en getransporteeerd naar het ziekenhuis in Tilburg waar hij kort daarna overleed.’

Wat was er gebeurd? Het slachtoffer was Lodewijk van den Heuvel, geboren op 21 december 1875 in Zoerle-Parwijs. Hij kwam in 1901 met zijn gezin in Baarle-Nassau wonen waar hij als arbeider ging werken op het landgoed Schaluinen. Zijn gezin breidde gestaag uit. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, telde het gezin negen kinderen. In de zomer van 1915 overleden er twee zodat er vier meisjes en drie jongens overbleven. De drie oudsten waren meisjes, die in 1916 respectievelijk zeventien, vijftien en veertien jaar oud waren. Het was in die tijd zeer gebruikelijk dat dochters van die leeftijd buitenshuis woonden en werkten. Dit gold toen ook voor de tweede dochter, Trees: zij werkte en woonde in Zondereigen toen ‘de draad’ kwam. Trees kon niet meer naar huis. Aangezien de levensomstandigheden in het bezette België steeds moeilijker werden, wierp men vanuit Nederland veelvuldig voedsel en andere goederen over de draad om de mensen aan de bezette kant te helpen.

Zo deed ook de familie Van den Heuvel. Op gezette tijden toog iemand van het gezin naar de draad bij Zondereigen om de daar wonende dochter wat extra’s te brengen. Op een dag in 1916 gebeurde dit met serieuze gevolgen. Vader Lodewijk was deze keer zelf naar ‘den draad’ getogen met een mandje etenswaren. Aan de Zondereigense kant patrouilleerden op dat moment echter Duitse soldaten. Zij sommeerden hem weg te gaan en verboden hem het mandje over de draadversperring te gooien. Lodewijk deed het toch! Op datzelfde moment legde één van de soldaten aan en schoot op hem: Lodewijk viel getroffen neer.

Overigens is het vervolg van de tekst foutief, maar dat kon de journalist niet weten. Lodewijk van den Heuvel is namelijk door het schot niet gedood. Na aankomst in het ziekenhuis bleek hij slechts licht gewond te zijn. Na enkele dagen verzorging kon hij naar huis. Er werden nog enkele kinderen geboren en Lodewijk overleed op 12 mei 1949 (op vierenzeventig jarige leeftijd) in Weelde.

De tekening uit Le Miroir werd door de Baarlese soldaat meegebracht naar de familie Van den Heuvel, die inmiddels op de Liefkenshoek woonde. Het papier was gehavend uit de oorlog gekomen: gevouwen, gekreukt en vermoedelijk meermalen nat geweest en weer gedroogd. De Dodendraad bleef tot aan het einde van de oorlog aanwezig. Nadien werd hij door de plaatselijke landbouwers ontmanteld en hergebruikt voor andere doeleinden.


9. Verwoestende bevrijding van Zondereigen (oorlogsjaren 1940-1945)

Eind september 1944 was de Eerste Poolse Pantserdivisie onder leiding van generaal Stanislaw Maczek vanuit Merksplas doorgedrongen tot op het Lipseinde, aan de zuidkant van Zondereigen. Op zaterdagavond 30 september stonden ze bij het riviertje de Noordermark: de natuurlijke grensscheiding tussen de gemeenten Merksplas en Baarle-Hertog. De Polen waren toen nog maar een kilometer van de dorpskern van Zondereigen verwijderd. Hun opmars stopte, waardoor de Duitse bezetters de kans kregen om versterkingen aan te voeren. Overal werden soldaten ingekwartierd.

Op zondagmorgen 1 oktober begon om 6u de Poolse artillerie met een aantal kanonnen te vuren op de Duitse linie. De strijd om Zondereigen werd ingezet door de Derde Brigade van de Poolse Pantserdivisie, gevolgd door de infanterie. Eén formatie tanks rukte op langs het Lipseinde (ten zuiden van Zondereigen), een tweede langs het gehucht Gel (ten westen) en een derde via Ginhoven (ten oosten). Zo werd een breed front gevormd.

De Polen hebben letterlijk om elke meter moeten vechten en huis na huis moest worden veroverd. Huizen en schuren, vaak familie-eigendommen sinds vele generaties, gingen door brand verloren toen ze in het midden van de vuurlinie kwamen te liggen. Pas na de middag bereikten de Polen de Sint-Rumolduskerk en het duurde tot na 18u vooraleer de meeste Duitsers aan de noordkant uit Zondereigen waren verdreven. Het zwaar geschonden dorp was vrij.

Maar nog was alle leed niet voorbij: op 3 oktober schoten Duitse kanonnen alsnog de Sint-Rumolduskerk in brand. Het kerkgebouw uit 1859 ging vrijwel geheel verloren. Gelukkig waren veel kostbaarheden tevoren reeds veilig opgeborgen. De Polen brachten bovendien het beeld van Sint-Rumoldus in veiligheid. Zo wist Zondereigen ondanks het grote verlies toch heel wat te redden. De kerk werd na de oorlog in dezelfde stijl heropgebouwd.


10. Naamsverklaring

De naam Zondereigen bestaat uit twee delen met nagenoeg dezelfde, grondheerlijke betekenis. ‘Zonder’ verwijst naar een voor zichzelf gereserveerd gebied. In die zin was het ‘bijzonder’: het werd ‘afgezonderd of onderscheiden van de rest van het bezit’. Het was aan de vrije bebouwing onttrokken en voorbehouden voor jacht, houtkap of ontginning door de eigenaar zelf. Dezelfde stam vinden we terug in het Engelse ‘Sunderland’ en het Duitse ‘Sonderlandgut’. ‘Eigen’ komt van het germaanse ‘aigina’ en betekent ‘eigen bezit’, dit in tegenstelling tot het in leen gegeven goed (feodum). Het duidt op een vrijgoed, een vrij erf: aan niemand was de eigenaar enig bewijs van onderworpenheid schuldig. ‘Zondereigen’ betekent dus allodium of niet-leenroerig goed: privaat land, met een bepaalde bedoeling apart gehouden.

 

Informatie over de website  Sociale media Onderhoud
Privacy verklaring  sm facebook 50sm twitter50sm dodendraad 50instagram 2 Service en onderhoud sk 50