Deze website gebruikt cookies. Accepteer de cookies als u alle functionaliteiten van deze website wilt gebruiken.

Heemkundekring voor Baarle-Hertog, Baarle-Nassau, Castelré, Ulicoten en Zondereigen

Bijengilde van St.-Ambrosius

Geschreven door Herman Janssen.

Baarlese gilden

Gilden zijn verenigingen van mensen met gemeenschappelijke belangen. Ze ontstonden tijdens het Ancien Regime (vóór 1793). We maken een onderscheid tussen broederschappen, ambachts- en schuttersgilden.(*1)

Broederschappen hadden een zuiver religieuze functie: men werd lid van zo'n gilde om zijn zielrust te verdienen of uit bijzondere verering voor een bepaalde heilige. Ambachtsgilden ontstonden uit politiek-economische overwegingen. Door het verdedigen van gezamenlijke belangen verwierven ambachtslieden bepaalde voorrechten en verstevigden ze hun positie tegenover buitendorpse concurrenten.

Zo'n ambachtsgilde vervulde tevens een sociale taak binnen de toenmalige samenleving. Gildenbroeders konden op mekaar rekenen in voor- en tegenspoed: samen werd feest gevierd en de zorg gedeeld voor behoeftigen en zieken. Daarnaast was er ook een religieuze taak: altaren werden gesticht ter ere van de patroonheilige, er brandde waslicht op de baar van overleden gildenbroeders, men stapte gezamenlijk op in de processie en belangrijke bijeenkomsten werden vaak voorafgegaan door een heilige mis.

Schuttersgilden werden oorspronkelijk opgericht om het dorp te verdedigen. Op het einde van de 16de eeuw echter werden grote legers op de been gebracht waardoor het belang van de lokale schuttersgilden verminderde. De militaire taak viel op het einde van de 18de eeuw volledig weg: de wapens werden nog uitsluitend gehanteerd als liefhebberij. Veel schuttersgilden ontstonden uit broederschappen of uit ambachtsgilden. Steeds stond de dienstbaarheid aan de gemeenschap op religieus en sociaal gebied centraal.

Hierdoor zijn de schuttersgilden uit het Ancien Regime wezenlijk anders dan de recentere schuttersverenigingen, die zich meer op sportief gebied begeven. Zo bestaan of bestonden in Baarle schuttersverenigingen als Recht door Zee, De Ware Broeders, Oranje Schietvereniging, Gilde St.-Remigius, Vrede zij ons genoegen, De Grensjagers, Vrede en Eendracht (Castelré), De Vrije Kempenzonen (Zondereigen), enzovoort. De St.-Jorisgilde van Castelré werd weliswaar eerst opgericht in 1888, maar functioneert niettemin zoals een eeuwenoude gilde.

Daarnaast waren er tenminste acht Baarlese gilden: één broederschap, drie ambachts- en vier schuttersgilden. De ‘Confrerie van het Heilig Rosenkransken’ werd opgericht in 1642. Deze broederschap legde zich toe op het gezamenlijk bidden van de rozenkrans in de St.- Remigiuskerk.(*2)

De ‘St.-Nicolaesgild’ (kooplieden) en de ‘gild van St.-Huybrecht’ (jagers) werden als ambachtsgilde opgericht voor 1623. Ze gingen beiden ter ziele omtrent 1806. In 1700 stond er aan de Singel een huis met de naam St.-Huybrecht, later ‘Het Wapen van Nassau’.(*3) Was hier de gildenkamer gevestigd? De ‘St.-Josephgild’ (timmerlieden) wordt driemaal vernoemd in de kerkrekeningen.(*4)

Verder kennen we nog vier Baarlese schuttersgilden. De voetbooggilde van Sint-Joris werd vermeld in 1463 en 1560. Baarles oudste schuttersgilde hield wellicht op te bestaan in de eerste helft van de Tachtigjarige Oorlog en in ieder geval voor 1623.

De handbooggilde van St.-Sebastiaan bestond reeds in 1510. Toen werd namelijk een altaar in de parochiekerk vermeld ter ere van deze heilige. In 1726 verkreeg ze een nieuwe kaart uit Leuven. De ‘St.-Sebastiaensgild’ was eigenaar van een schuttershof, gelegen op de hoek van de Molenstraat en de Kapelstraat, op het grondgebied van Baarle-Hertog. Volgens kanunnik J. Jansen van Turnhout zou de gilde nog bestaan hebben in 1923.

Tot slot waren er in Baarle ook twee schuttersgilden met St.-Ambrosius als patroon. De Zondereigense St.-Ambrosius, eerst een kolveniers- en daarna een handbooggilde, werd opgericht in 1763 en bestond tot kort voor de Tweede Wereldoorlog. Het oude vaandel en de trom kwamen in het bezit van heemkundekring Amalia van Solms.(*5) De St.-Ambrosiusgilde van Baarle-Nassau is ouder dan die van Zondereigen en wordt in de volgende hoofdstukken uitgebreid besproken.

De bijengilde van St.-Ambrosius (Baarle-Nassau)

In het eerste deel maakten we kennis met acht oude Baarlese gilden, waaronder de twee bijengilden met St.-Ambrosius als patroon. De heilige Ambrosius werd naar alle waarschijnlijkheid in Trier geboren in het jaar 339, als zoon van een Romeinse prefect in Gallië. Vanaf 374 was hij bisschop van Milaan, waar hij stierf op 4 april 397. Zijn echte naam was Valerius Aurelius: Ambrosius is slechts een bijnaam en betekent ‘onsterfelijke heilige’.

Die bijnaam verwijst tevens naar ‘Ambrosia’, het voedsel der Griekse onsterfelijke goden, negenmaal zoeter dan honing. Vaak wordt Ambrosius afgebeeld met een bijenkorf naast zijn voeten of met een zwerm bijen rond zijn mond. Deze heilige geldt als patroon van de bijenhouders op grond van de volgende legende: in zijn prille jeugd kwam een bijenzwerm op de mond van Ambrosius rusten en legde hem honing in de mond alvorens hemelwaarts op te stijgen. Ook aan Pindaros (552-442 v.C.), Plato (427-347 v.C.), St.-Joannes Chrysostomos (347-407) en St.-Bernardus van Clairvaux (1091-1153) wordt een gelijkaardige legende toegeschreven om hun welsprekendheid te verzinnebeelden. De twee laatstgenoemden worden op sommige plaatsen eveneens geëerd als patroonheilige van de imkers.

Verder wordt St.-Ambrosius afgebeeld in zijn bisschopsgewaad met in de handen soms een duif, een boek (hij is namelijk één van de vier belangrijkste Westerse kerkvaders) of een gesel (o.w.v. zijn striemende woorden).(*6)

De St.-Ambrosiusgilde van Baarle was een Nederlandse vereniging. Zo werden de kaarten van 1712 en 1806 door de ‘Nederlandse’ overheid verleend. De heide waarop de gildenbijen vlogen, behoorde toe aan de heer van Breda. Zijn vertegenwoordiger in het gemeentebestuur van Baarle-Nassau, de schout, werd voor het leven verkozen tot hoofd van de gilde. De gildenkamer tenslotte was gevestigd in Den Engel aan de Singel, op Nassau’s grondgebied. De gildenbroeders zelf woonden uiteraard zowel in Baarle-Hertog als in Baarle-Nassau.

De bijenteelt kent in onze streek een lange geschiedenis. De Salische wet (508-511 na Christus) voorzag strenge sancties voor wie het waagde om bijenkorven te stelen.(*7 en *8) Voor heel wat Baarlese pachters was het houden van bijen een welgekomen aanvulling op het schrale inkomen. Bijenhouders leverden honing, eeuwen geleden het enige zoetmiddel. Tevens produceerden ze waskaarsen, onmisbaar in de liturgie.

De ‘pastorale bijenteelt’ was vroeger zeer in trek: ‘bieboeren’ trokken met hun korven naar verre streken die bijzonder gunstig waren voor de oogst. Hoogstratense imkers plaatsten daarom hun bijenvolk in Holland, Willemstad en het Markiezaat van Bergen-op-Zoom.(*9) Vanuit het Land van Turnhout werd gereisd naar Boom, Mechelen, Brussel, Zeeland en Holland.(*10)

Soms ontstond door naijver een dispuut met de plaatselijke imkers: met lede ogen zagen zij dat vreemde korven op hun grondgebied werden geplaatst. Omstreeks de 16de eeuw verenigden de bijenhouders zich in gilden om hun gebied te beschermen tegen indringers.

De bijengilde van Baarle-Nassau werd opgericht vóór 1623. De oudste kerkrekeningen van de St.-Remigiusparochie vermelden de betaling van zes stuivers door de ‘Ste Ambrosiusguld’ voor het waslicht dat in 1623 brandde op de baar van de overleden ‘guldebroeders en susters’. (*11)

Mogelijk werd de gilde opgericht na een reeks geschillen met buitendorpse imkers. Volgend proces kan daartoe bijgedragen hebben. Drie inwoners van Baarle (Jan Aert Cornelissen, Adriaen Jan Peeters en zijn zoon Hendrick) daagden in 1605 de schout van Turnhout (Henrick Clusius) en de stadhouder van Merksplas voor de rechtbank. De aanleiding was een incident in Merksplas: bij manier van panding en zonder vonnis had de schout er 27 Baarlese bijenstokken weggenomen. De aanklagers begrepen niet waarom dat was gebeurd vermits ze hun bijen in de ‘wilde heye’ hadden geplaatst. Zij en hun voorouders deden dat respectievelijk reeds 1, 10, 20, 30, 60, 80 jaar en meer. Zij reden met hun bijen naar de Kempen, Holland, Zeeland en elders waar zij dit wensten. Ze plaatsten hun bijenvolk waar zij het goedvonden en lieten het rondvliegen zolang het hen beliefde, zonder ooit door iemand te zijn lastig gevallen. Nu zochten ze hun toevlucht tot ‘het Consistorie van den Horen’, de rechtbank die zich uitsprak over jachtmisdrijven.

De schout verklaarde dat hij verplicht was geweest in te grijpen na een klacht van de inwoners van Merksplas. Die voelden zich benadeeld toen ongeveer 200 bijenkorven op ‘hun’ heide werden geplaatst. Schout Henrick Clusius beboette de indringers met 12 stuivers per korf en nam daarop 27 korven in beslag als onderpand (waarde per korf ongeveer vier gulden en tien stuivers of 4-10). Alvorens over te gaan tot de inbeslagname, had hij in de kerk van Baarle doen afroepen dat al wie bijenkorven had weggezet in Merksplas en daartoe niet was gerechtigd, deze terstond moest terughalen. Zoniet zouden de korven van rechtswege worden weggenomen en zou er een boete volgen. De schout meende dat bijenstokken niet zonder toestemming van de grondeigenaars buiten de gemeentegrenzen mochten worden geplaatst.

Eind 1608 werden de schout en de stadhouder veroordeeld tot de teruggave van de bijen in de toestand van vóór de inbeslagname. Bovendien moest alle verlies van de profijten gedurende de afgelopen drie jaren worden vergoed en dienden ze de kosten van de rechtszaak te betalen. Beiden gingen in beroep bij de Raad van Brabant en op 26 maart 1610 oordeelde die na rijp beraad dat de klacht van de drie Baarlenaren niet ontvangbaar was. Ze draaiden bovendien op voor alle gerechtskosten...(*12)

Van ambachts- tot schuttersgilde

De Baarlese bijenboeren verenigden zich omtrent het begin van de 17de eeuw in een bijengilde. Zij reageerden daarmee wellicht op moeilijkheden die ervaren werden met de pastorale bijenteelt. Een strikte reglementering werd ingevoerd. Die omvatte een aantal beschermende maatregelen: zo moesten voortaan alle buitendorpse imkers twee stuivers per korf betalen aan ‘heydereghten’.

In 1712 werd de ambachtsgilde omgevormd tot een schuttersgilde ‘ten dienste van de ingezetenen van de heerlijkheid Baarle’. Het schieten als vermaak naast de bijenteelt was destijds een modeverschijnsel. Ook in nabijgelegen dorpen bemerken we eenzelfde evolutie, bijvoorbeeld in Ginneken en Bavel (1695), Princenhage (1695), Wommelgem (1695), Lichtaart (1707), Wechelderzande (1707), Terheyden (1708), St.-Antonius-Zoersel (1708), Olen (1710), Wortel (1710), Made (1713), Turnhout (1713), Roosendaal (1713), Putte (1716), Teteringen (1717) en Zandhoven (1717).(*13)

Met toestemming van de Stadhouder van Baarle-Nassau richtten de Baarlese bijenboeren zich tot de ‘Raad en Rekeningen’ in 's Gravenhage, ingesteld door ‘wijlen de koning van Brittagne’ en door ‘de executeurs van wijlen prins Frederik Hendrik’. Op 2 augustus 1712 verleende de Raad een reglement met 29 artikelen. Deze ‘gildenbrief, octrooij of kaart’ bevatte de statuten van de schuttersgilde met daarin de taakverdeling (zie hoofdstuk 4), de rechten en plichten verbonden aan het lidmaatschap (hoofdstukken 5, 6 en 7) en de reglementering van het schieten (hoofdstuk 8).

De kaart werd verleend onder strikte voorwaarden: niets mocht worden ondernomen ten nadele van de heer van Breda of van de Baarlese gemeenschap. Tevens mocht er geen dispuut ontstaan over de religie. Jaarlijks moest de kaart herbevestigd worden door de drossaard van Breda en op de feestdag van St.-Ambrosius moest ze in het openbaar worden voorgelezen.

Het ondertekenen van de kaart door de drossaard kostte de gilde jaarlijks zes stuivers. In 1714 werd voor de voorbije twee jaar betaald, in 1725 voor de afgelopen zes jaar en in 1767 voor dertig jaar achterstel. Verder werd de kaart getekend in 1790 (voor 13 jaar) en in 1791.

Van de oorspronkelijke kaart bestaan nog twee afschriften: één exemplaar bevindt zich in het gemeentearchief van Alphen (*14) en het andere in het manuaal van de bijengilde.(*15) De originele kaart werd begin 1805, tezamen met een rekwest van het toenmalige gildenbestuur, door schout C.A. Hendriks verstuurd naar het ‘Departementaal Bestuur van Braband’. Daarmee werd voldaan aan de resolutie commissoriaal van 12 februari 1805 (nr. 13) en hoopte de gilde een nieuwe kaart te bekomen. Die werd verleend op 26 maart 1805. In het gemeentearchief van Baarle-Nassau bevind zich nog een kopie ervan.(*16)

Deze nieuwe kaart was een eigentijdse versie van de oude kaart, die er inhoudelijk maar weinig van afweek. Ze moest bijvoorbeeld jaarlijks niet meer door de drossaard worden ondertekend. Ook de kaart van 1805 is in de originele versie niet bewaard gebleven. In 1816 moest ze worden opgestuurd naar de ‘Provinciale Staten van Brabant’ om een nieuwe erkenning te bekomen.

De taakverdeling (*17)

Volgens de kaart van 1712 bestond het bestuur van de St.-Ambrosiusgilde uit vier personen: de overdeken, de hoofdman, de oude deken en de nieuwe deken (of onderdeken). Het bestuur werd verkozen om binnen de bijen- en schuttersgilde leidinggevende en administratieve taken te vervullen.

De overdeken werd jaarlijks verkozen op de algemene ledenvergadering. In het organigram van de gilde stond hij boven (1712) of naast (1805) de hoofdman. Bij het koningsschieten trad hij op als plaatsvervanger van de heer van Breda, een eer die vanaf 1805 toekwam aan de schout of bij diens afwezigheid aan de hoofdman van de gilde. Meer gegevens over deze eerder ceremoniële functie ontbreken.

De hoofdman was de commandant van de gilde. Hij werd verkozen voor het leven. Peeter van Bernagie, schout van Alphen, Chaam en Baarle-Nassau, was de eerste hoofdman van de St.-Ambrosius-schuttersgilde. Meestal liet hij zich vervangen door de president-schepen van Baarle-Nassau, Adriaan van Hoeck.

Van Bernagie werd begraven op 16 mei 1728. De kaart bepaalde dat bij het overlijden van de hoofdman er onmiddellijk een nieuwe moest worden verkozen. Toch duurde het tot eind 1730 alvorens schout Floris van Gils met eenparigheid van stemmen als nieuwe hoofdman werd aangenomen: er werd wellicht gewacht op de benoeming van een nieuwe schout vooraleer tot de stemming over te gaan.

Van Gils was 55 jaar lang actief als hoofdman. Slechts zelden liet hij zich vervangen: zo ondertekende Arnoldus Backx als president-schepen van Baarle-Nassau alleen de jaarrekening van 1778 in het manuaal. Schout Van Gils was een controversiële figuur in Baarle. Hij hitste de twee Baarlese gemeenten tegen mekaar op en probeerde zo op slinkse wijze de Hertogse enclaves in te palmen.

Na het overlijden van Floris van Gils werd op 7 december 1785 schout Adriaen Ente tot hoofdman gekozen door de ouderlingen, de koning en de dekens. Hij was de enige hoofdman van de schuttersgilde die zich liet betalen voor zijn diensten. Jaarlijks ontving hij van de oude deken vier gulden uit de gildenkas. Vanaf 1789 was Ente secretaris van de gemeente Baarle-Nassau. Frederik Melsert werd toen als schout aangesteld. Adriaen Ente bleef echter hoofdman van de gilde: hij was immers verkozen voor het leven.

Adriaen Ente was, net als Floris van Gils, een overtuigde protestant. Na de inval van het Franse leger in 1794 vluchtte hij noordwaarts om nooit meer terug te keren. Baarle-Nassau werd bestuurd door twee ‘adjointen’, die vrije verkiezingen moesten voorbereiden: Cornelis Adriaan Hendriks en Pieter Cornelis van Ghert. Laatstgenoemde werd aangesteld als nieuwe hoofdman van de gilde, maar het was Hendriks die op 14 februari 1795 door het volk tot schout werd verkozen. P.C. van Ghert werd de nieuwe secretaris.

Van Ghert was notaris en procureur in Baarle-Hertog van 1780 tot 1795. Van 1795 tot 1802 was hij secretaris van Baarle-Nassau en schout van Alphen. Hij werd aangeduid als representant van Bataafs Brabant (1796-1797) en lid van de commissie van financiën van Bataafs Brabant (1799-1802). In september 1802 werd hij voor de stad en het land van Breda voor het leven benoemd tot lid van de rekenkamer van Brabant. Zijn domicilie moest hij verplaatsen naar 's-Hertogenbosch.

Bij de opheffing van de rekenkamer in 1805 werd hij ambteloos. Niet lang echter, want hetzelfde jaar werd hij aangesteld als ontvanger der beschreven middelen in het arrondissement Oss. Daarna bekleedde hij nog meerdere openbare ambten op provinciaal niveau. In 1815 woonde Pieter Cornelis van Ghert in Breda. Hij overleed op 8 november 1819 in Baarle-Nassau.(*18)

Het gildenbestuur bestond naast de overdeken en de hoofdman uit twee regerende dekens: de oude en de nieuwe deken. Elk jaar werd tijdens de algemene ledenvergadering een nieuwe deken verkozen. De nieuwe deken werd na zijn opleidingsjaar automatisch benoemd tot opperdeken of oude deken: de secretaris-penningmeester. Tot zijn expliciete taken behoorden het voorlezen van de gildenbrief en het voorleggen van de jaarrekening op de algemene ledenvergadering. Bestudering van het handschrift van het manuaal wijst uit dat het inschrijven van de jaarrekening, het bijwerken van de ledenlijsten en het schrijven van de verslagen van verkiezingen en bijenverpachtingen niet gebeurde door de oude deken, maar wellicht door de gemeentesecretaris. Geletterd zijn was niet echt nodig om tot deken te worden verkozen: zijn taak als secretaris bestond gewoon uit het bewaren van het manuaal.

De jaarrekening vermeldt min of meer gedetailleerd alle inkomsten en uitgaven. Het is een sluitende rekening: winst of verlies werden gevoegd bij het totale gelag van het voorbije jaar. In 1785 werd meer ontvangen dan uitgegeven, ‘het welck aen den waerd is ter hand gestelt in betaeling der verteeringen: 13 gulden en 16 stuivers’. De gildenbroeders spraken in dit verband vaak van ‘profijten’ en bedoelden daarmee de winst die door de gilde werd gemaakt met betrekking tot de bijenhandel: het verpachten van de gildenbijen en de rechten die buitendorpse imkers moesten betalen voor het gebruik van de heide. Iedere gildenbroeder kreeg dus zijn deel van de winst uitbetaald waardoor de rekening van het gelag op het einde van het jaar best meeviel. Het gelag bedroeg jaarlijks ongeveer twee gulden per persoon. In 1789 bedroeg het totale gelag 77 gulden en 19 stuivers, ‘zijnde hier tegen 52 gelagsluyde welk 't te kort koomende moeten voldoen à 1-17 voor ider persoon’.

Bij het omvormen van de bijengilde tot schuttersgilde werd een startkapitaal van 100 gulden geleend bij gildenbroeder Adriaen Oomen. Jaarlijks ontving hij vier gulden aan intrest. Adriaen stierf in 1715. Rond 1720 werd de obligatie overgenomen door Peeter Adriaen van Hoeck, zoon van de president-schepen van Baarle-Nassau. De intrest daalde van 4% in 1742 naar 3% in 1750 en slechts 2,6% in 1755. Na het overlijden van Peeter werd deze rente eerst uitbetaald aan zijn weduwe (1753), daarna aan Jacobus Oomen (1754) en tot slot aan Jan van der Schooth (1755-1757). Vanaf 1755 begon het gildenbestuur jaarlijks een deel van het kapitaal af te lossen. In 1755 en 1756 werden telkens 25 gulden terugbetaald. In 1757 verkocht men een gedeelte van het koningszilver om de resterende 50 gulden te kunnen afbetalen.

De oude deken was ook verantwoordelijk voor de opleiding van de nieuwe deken. Laatstgenoemde werd door de gildenbroeders verkozen op de algemene ledenvergadering van 7 december, de naamdag van St.-Ambrosius. Die dag wordt zijn bisschopswijding herdacht. Iedereen kon zich kandidaat stellen en werd dan op een lijst van nominatie geplaatst. Het uitbrengen van de stemmen gebeurde mogelijk mondeling. In het manuaal werd achter de namen van de genomineerden geturfd. Wie de meeste streepjes achter zijn naam had staan, was verkozen. In principe kon men slechts éénmaal worden verkozen.

Vaak was er grote éénsgezindheid bij de dekenverkiezing: 42% van de dekens werd met éénparigheid van stemmen verkozen. Toch duurde het tot 3 januari 1752 vooraleer men de eerste keer deze eensgezindheid kon optekenen. Marijnis Stoopts kreeg toen alle uitgebrachte stemmen achter zijn naam.

Een aantal dekens werd verkozen met minder dan de helft van de uitgebrachte stemmen achter hun naam. Cornelis Gillis kreeg in 1715 slechts 19 van de 45 stemmen en haalde het daarmee nipt van de andere genomineerden. Toen Cornelis Gillis in 1716 buiten het dorp ging wonen, ontstond er een probleem: er moest zowel een oude als een nieuwe deken worden aangesteld. Alle gildenbroeders mochten twee stemmen uitbrengen. Philippus van Bedaff, herbergier van Den Engel, werd met 39 stemmen op 100 tot oudste deken verkozen. Dirick Prinsen behaalde 37 stemmen en werd de nieuwe deken. Van Bedaff voelde zich benadeeld omdat hij slechts één jaar de gilde kon besturen en mocht zich daarom in 1717 opnieuw kandidaat stellen. Hij is de enige gildenbroeder die twee keer de dekenverkiezing won.

In 1730 overleed de oudste deken, Peeter Backx. Hij werd vervangen door Jan Swolf zonder dat daarvoor nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven. Jan Baptist van der Voort stierf in 1780. Deze oudste deken werd opgevolgd door zijn voorganger, Joris Cornelis Joosen. Acht jaar later gebeurde hetzelfde na de dood van Jan Jacobs. Zijn plaats werd ingenomen door de afgetreden deken, Jan Adriaen Geerts. En in 1805 stierf Hendrik Tuytelaars die in zijn functie van oudste deken werd vervangen door Guilliam Cornelis Oomen.

De jaarrekening van 1748 werd pas ingediend op 4 mei 1749. Het was de moeite niet meer om een nieuwe deken aan te stellen waardoor de twee regerende dekens, Aert Peeter Backx en Adriaen Matheus Verheijen, tot 9 december 1749 ‘gecontinueerd’ werden. En in 1794 was Baarle bezet door het Franse leger. Alle gildenactiviteiten waren verboden. De jaarvergadering kon niet doorgaan en de twee regerende dekens moesten hun functie clandestien uitoefenen. Matthijs Adriaen Verheijen was toen twee jaar lang oudste deken, Jacobus Marcelissen fungeerde twee jaar als nieuwe deken. Vanaf 1812 werd de nieuwe deken niet meer door de gildenbroeders verkozen. Hij werd gewoon aangesteld door het bestuur.

De kaart of gildenbrief vermeldt slechts vier bestuursleden. Het wekt verbazing dat de koning niet in die hoedanigheid wordt vernoemd. Bij de omvorming tot schuttersgilde in 1712 was er zelfs maar één artikel van de kaart gewijd aan het schieten. Het duurde tot 7 oktober 1721 vooraleer de gebruiken in verband met het koningsschap in het manuaal werden genoteerd. Op die dag werd besloten om eens in de vijf jaar de koningsvogel te schieten, tenzij de gildenbroeders eerder zouden willen.

Het koningsschap had grote financiële gevolgen. De koning trakteerde de broeders op de dag van de schieting met een ton bier. De tamboer ontving 25 stuivers als ‘boeenbroot’ (bodebrood): hij moest het grote nieuws aan de vrouw van de nieuwe koning melden. De schuttersmaagden gingen mee in de optocht en kregen daarvoor 25 stuivers van de koning. Uit de gildenkas ontvingen de ‘drie maagdekens’ jaarlijks nog eens een gulden en vier stuivers. In de loop van zijn koningsschap kocht de koning een zilveren schild om aan de breuk te hangen en wanneer hij door de gildenbroeders werd uitgehaald, trakteerde hij met een vierendeel bier.

Om de zware financiële last te kunnen dragen, waren er ook voordelen verbonden aan het koningsschap. De waard betaalde hem 14 gulden na de koningsschieting. Alle teerdagen werd hij vrijgehouden: alleen de wijn moest hijzelf betalen. In 1721 mocht Adriaen van Tienen twee dagen vrij teren. Verder behield de koning zijn recht op de ‘profijten’: die werden hem uiteraard niet in mindering van het gelag gebracht (hij teerde immers gratis), maar contant uitbetaald.

Uitdrukkelijk werd vermeld dat ‘de konninck gesagh sael hebben gelijck den koninck toe komt’. Hij nam mee beslissingen, wat erop wijst dat de koning tot het gildenbestuur behoorde. Zo werd in 1721 ‘geordonert van hooftman, koninck ende dekens om te schieten eenen koninckxvogel’.

In 1715 en 1727 werd de jaarrekening ‘geteeckent van hoofman Coninck en dekens’. In 1767 werd de gildenkaart door de stadhouder in Breda getekend op verzoek van hoofdman, koning en dekens. En in 1785 nam hij met het bestuur deel aan de verkiezing van een nieuwe hoofdman.

De eerste koning van de St.-Ambrosiusgilde was ‘monsieur Peeter De St Tomas’ in 1714. Pieter de Tomas was tollenaar in Baarle-Nassau. Zijn opvolger als gildenkoning was Hendrick Verstrijden (1719). Daarna kwamen wellicht Adriaen van Tienen (1721) en Geraert Geerts (1726). De vijfde koning konden we niet achterhalen, maar in 1736 was Dierck Cornelis Priensen koning. Na hem kwam Wauter Claes van Aghtmal. Zijn schild werd in 1757 aan een zilversmid verkocht voor acht gulden en vijf stuivers (8-5). De schilden van Pieter de Tomas en Hendrick Verstrijden brachten respectievelijk 8-0 en 10-2 op. Deze drie schilden werden verkocht om een obligatie te kunnen afbetalen aan Jan van der Schooth. In 1809 werden nogmaals zilveren schilden verkocht, ditmaal ter waarde van 28-0.

Er is geen koningszilver van de Baarlese St.-Ambrosiusgilde bewaard gebleven. Wel kennen we nog meer namen van gildenkoningen: Jan Jan van den Houtgoor (na 1746), Cornelis Gerard van Hoeck (na 1756), Jan Verhaeren (1786) en Jacobus Verbander (1818). Deze lijst is verre van volledig, maar aanvullende gegevens ontbreken.

In de ledenlijst van 1712 wordt Peeter Cruijsweeghs, schepen van Baarle-Hertog, vernoemd als ouderman (een gildenbroeder met veel ervaring, meestal een vroegere deken). Het blijft onduidelijk of de oudermannen volwaardig deel uitmaakten van het bestuur. Zij bekleedden in ieder geval een voorname positie in de gilde: zo verkozen zij op 7 december 1785 samen met de koning en de regerende dekens Adriaen Ente tot hoofdman.

Naast de bestuursfuncties waren er binnen de gilde nog meerdere taken te vervullen. De vaandrig (‘venderick of alferis’) droeg het gildenvaandel bij optochten. Tot 1730 ontving hij daarvoor jaarlijks 10 à 15 stuivers. In 1719 werden zijn profijten uitbetaald zoals aan de koning. Mocht de vaandrig dat jaar vrij teren? In 1730 betaalde Adriaen van Reuth negen gulden om het vaandel of ‘vendel’ te mogen aannemen. Willem Olislagers was vaandrig in 1818.

Vanaf 1741 werd het vaandel tegen slijtage behandeld. Het werd gestopt en genaaid, kostprijs twee gulden. In 1750 repareerden de ‘wevuekens’ (weduwen) het vendel met zijden lint ter waarde van 4-18. Zij ontvingen daarvoor drie gulden als werkloon. Ook in 1754, 1760, 1765 en 1771 waren er nieuwe reparaties. De herstellingen van 1765 werden uitgevoerd door Peeter Laurijsen.

In 1774 werd een nieuw vaandel aangekocht. Een zekere Liefmans tekende het wapen voor drie gulden. De totale kostprijs bedroeg 120 Brabantse gulden, ofwel 107-2 in Hollands geld. De jaarrekening werd door deze zware investering afgesloten met een recordverlies van 118-10. Om de schulden te vereffenen werden 20 houten korven met bijen, die toebehoorden aan de gilde, verkocht. De opbrengst bedroeg honderd gulden. Een jaar later werd een stok gekocht om het vendel te kunnen dragen, kostprijs 4-6. Vanaf 1808 volgden opnieuw een aantal reparaties. Smid Martinus Willekens herstelde dat jaar ‘den bol aan het vendel’.

De reparatie van 1810 werd voor 1-10 verzorgd door Christina Janssen. In 1811 was er voor Martinus Willekens opnieuw werk en ook in 1817 werden herstellingen aangebracht. In 1825 tenslotte werd het vaandel omschreven als ‘hebbende weinig waarde’.

De tamboer gaf met tromgeroffel het tempo aan bij optochten en ceremoniën. Reeds in 1714 werd de tamboer in de jaarrekening vermeld. Hem werd vier gulden uitbetaald, waarschijnlijk voor de aankoop van een trommel. In 1726 kreeg de nieuwe tamboer ongeveer elf stuivers. Voor acht gulden werd in 1742 een ‘niewe troemmel’ gekocht. Acht jaar later werd ‘de snaer aen de trommel’ hersteld voor tien stuivers. Met de snaar kon men de spanning van het trommelvel regelen. Er volgden nog meer herstellingen, namelijk in 1754, 1759 (3-2) en 1773 (2-10). In 1774 werd een koperen trom aangeschaft voor drie gulden. Arnoldus van Lier verving in 1781 het trommelvel (1-10). In 1806 bracht de verkoop van een oude trommel 3-15 op. Zowel in 1808 als 1817 werden opnieuw reparatiekosten aangerekend.

De enige tamboer van de St.-Ambrosiusgilde die we kennen, is Antonius Willemsen (1818). Het reglement betreffende het koningsschieten uit 1721 vermeld de traktatie van 25 stuivers aan de tamboer als ‘boeenbroot’. We vermoeden dat hiermee het bodebrood (het loon van een bode) werd bedoeld en dat bijgevolg de tamboer tevens als gildenknaap fungeerde.

De gildenknaap of knecht was de boodschapper van de gilde. Bijeenkomsten werden door hem bij de gildenbroeders aangezegd. De knaap werd betaald voor zijn diensten. De eerste 15 jaren na de omvorming tot schuttersgilde bedroeg zijn jaarwedde vijf gulden. Daarna kreeg hij jaarlijks 2-10. In 1729 was Adriaen van Reijsberghen ‘cnaep of gulden kneght’. Hij is de enige die we bij naam kennen. Was de knaap niet verplicht zich aan te sluiten bij de gilde? Of betaalde hij geen inkomgeld? Adriaen's naam vonden we nergens terug in de ledenlijst van de St.-Ambrosiusgilde.

Ook de speelman was niet noodzakelijk een lid van de gilde. In 1714 werd hij ‘bastrecker’ genoemd. Blijkbaar tokkelde hij op een soort contrabas. Adriaen Kocken is de oudste speelman die we kennen (1720). Jan Cornelis Jacobs speelde minstens van 1788 tot 1795 voor de gilde. In 1810 was Willem Claasen speelman, vanaf 1811 Hendrik van Sas en in 1818 Jacobus Kokken. Laatstgenoemde trad toe tot de gilde na 1816.

De speelman werd betaald voor zijn diensten. In 1758 ontving hij 5-10 voor ‘vijf daghen speelens voor de voorschreven gulde’. In de beginjaren werd hem meer uitbetaald (7-10 à 9-0). Nadien schommelden de verdiensten jaarlijks tussen 5-0 en 6-5. Toch waren er enkele jaren dat er weinig werd gefeest, zoals in 1730 (1-0), 1747 (2-0) en na de inval van de Fransen (1794 en 1795 tezamen slechts 2-10). Ook de laatste jaren uit het bestaan van de schuttersgilde stonden de activiteiten op een laag pitje: 2-10 in 1817, 1-4 in 1818 en 1-0 in 1819.

Rechten en plichten van het lidmaatschap

Naast een uitgebreide omschrijving van de taakverdeling geven de gildenbrieven van 1712 en 1805 nadere informatie omtrent de rechten en plichten die verbonden waren aan het lidmaatschap van de bijengilde.

De leden waren gerechtigd om deel te nemen aan de bestuursverkiezing en controleerden jaarlijks de rekening van de oude deken. Jaarlijks ook mochten ze op 25 juli een prijsschieting organiseren. Nochtans behoorden de schuttersactiviteiten eerder tot het randgebeuren (zie hoofdstuk 8). Centraal immers stonden de bijen.

In de oude korfimkerij deed men aan zwermteelt: er werd naar gestreefd het aantal bijenvolken gedurende het lopende bijenseizoen door het scheppen van zwermen minstens te verdrievoudigen. Een uitvliegende bijenzwerm behoorde toe aan de eigenaar van de korf indien hij deze bleef achtervolgen tot hij ergens neerstreek en hem daar opeiste. Het afvliegen van een zwerm was een spectaculair gezicht en verliep vrij chaotisch: massa's bijen vlogen kriskras door de lucht om een nieuwe woonplaats te zoeken.

Tijdens de zwermperiode moest de imker thuisblijven om op de bijen te passen. Mei was de beste zwermtijd: dan hadden de bijen voldoende tijd om tegen één der volgende drachtseizoenen uit te groeien tot een honingvolk waarvan geoogst kon worden. St-Jan (24 juni) was de laatste uitzwermdag: daarna bracht het uitzwermen geen volwaardig volk meer op. Vanaf 10 juli, de feestdag van St.-Amelberga, werd de hoeveelheid volken weer teruggebracht naar het oorspronkelijke aantal: dan begon men met het oogsten van de honing. De zwaarste korven werden uitgekozen, alle bijen gedood en de honingraten uitgesneden.

Ter bescherming van zijn lichaam gebruikte de imker een bijenkap en handschoenen. Hij berookte de bijen om hen te misleiden: ze vermoedden een brand en zogen zich vol honing om te vluchten. Eens ze hun buikje hadden gevuld, waren de bijen minder agressief en konden ze moeilijker hun achterlijf krommen om te steken.

Vóór de uitvinding van de honingslinger werd de honing uit de raten geperst. Goed gevulde stukken werden afgesneden en in een perszak gestopt. De zak ging in een pers en tijdens het persen kwamen naast honing ook stuifmeel, larven en bijenfragmenten in het eindproduct terecht: men spreekt daarom van ruwe honing. Bij het warm persen kreeg men een zeer donkere honing van mindere kwaliteit (uitsluitend te gebruiken in de bakkerij). Koud geperste honing daarentegen was geschikt voor directe consumptie. Het residu werd perskoek genoemd en tot mede verwerkt. Op St.-Bernarduszondag was de oogst voorbij.

Vroeger waren na de boekweitdrachten veel korven vet. Voor ze naar de heide gingen, werden er dikke spekraten uitgesneden zodat er plaats vrijkwam voor de heidehoning. Sommige ‘bieboeren’ gingen nog verder: ze klopten de bijenvolken uit de korven en sneden de honingraten en het broed eruit. Daarna werden de volken per twee in een lege korf gezet. Daarin ontwikkelden ze zich tot goede opzetters: goede productievolken voor het volgende bijenseizoen.

Uit oude korven kwam zwarte was, bevuild door het langdurig bebroeden en belopen van de wasraten door de bijen. Voor kerkdiensten wenste men meestal witte kaarsen. Die werden vervaardigd van maagdenwas, zuivere bijenwas afkomstig van celdeksels van niet-bebroede honingraten. Liturgiekaarsen werden gemaakt van bijenwas omdat men dacht dat de bijen zich ongeslachtelijk voortplanten. De overeenkomst met de onbevlekte ontvangenis van Maria deed de katholieken besluiten om alles wat de bijen aanging, op te nemen in hun kerkelijke symboliek. Het is een aloud gebruik om kaarsen te branden bij een geboorte, een huwelijk of een overlijden, om ervan verzekerd te zijn dat de boze geesten worden geweerd. Een kaars gewijd op 2 februari (O.-L.-V. Lichtmis) wordt ontstoken wanneer de doodstrijd aanvangt. Men plaatst ze in een kandelaar naast het sterfbed. De kaars wordt pas gedoofd van zodra de stervende de laatste adem heeft uitgeblazen.(*19)

De kaart van de St.-Ambrosiusgilde regulariseerde de bijenteelt in Baarle en Ulicoten met de bedoeling mekaars vluchten niet te beschadigen (artikel 27). Ze beschermde de gildenbroeders tegen buitendorpse concurrentie en oneerlijke praktijken. De reglementen van de kaart golden voor iedereen, ook voor niet-gildenbroeders. Daarnaast bestonden de rechten van de leden voornamelijk uit de onderlinge verdeling van de gildenprofijten.

De gilde bezat het privilege om bijen te laten rondvliegen op de uitgestrekte Baarlese heidevelden. Buitendorpse handelaars die hun bijen op de Baarlese heide plaatsten, kochten het alleenrecht af en betaalden ‘heygelt’. Zij betaalden twee stuivers per stok bijen. Buitendorpse bijenhouders die geen heidegeld betaalden, mochten hun bijen niet in Baarle of Ulicoten plaatsen, zelfs niet op particuliere grond. Overtreders en hun medeplichtigen werden bestraft met een geldboete van zes gulden (artikel 21). De hoofdman moest na overleg met de overdeken en de dekens de bijenstal doen openen en wegsturen. De kosten daaraan verbonden, werden in eerste instantie gedragen door de gilde en later verhaald op de overtreder. Desnoods zou er worden geprocedeerd. Sociale controle moest de uitvoering van de reglementen efficiënt laten verlopen: wie naast zijn stal vreemde korven zag staan, moest dit dadelijk rapporteren aan de overdeken, de hoofdman en de dekens. Zoniet kon hij zich verwachten aan een geldboete van 1-10 (artikel 22).

Wat betreft de pastorale bijenteelt werd de Baarlenaren verboden om vreemde bijen ‘op het zaad of rijs te brengen of eruit terug te brengen’ op straffe van verbeurdverklaring of een geldboete van drie gulden per vlucht per reis (artikel 25). Het gebeurde wel eens dat men dit reglement probeerde te omzeilen door vreemde bijen pro forma aan te kopen en ze na de vluchttijd opnieuw te verkopen aan de buitendorpse eigenaar.

Het was echter verboden dergelijke bijen in Baarle en Ulicoten te laten rondvliegen op straffe van verbeurdverklaring. Iedere gildenbroeder kon worden opgeroepen om tegenover de overdeken, de hoofdman en de dekens te komen getuigen in geval van fraude. Het bestuur had in deze zaken immers rechtsbevoegdheid (artikel 23).

Wie zijn bijenstal op de heide plaatste, moest minstens 100 roeden uit de omtrek blijven van andere bijenstallen. Als principe gold: eerst is eerst. Waar de ‘beesten’ werden gezet of waar men zijn baken had geplaatst, was de plek bezet (artikel 20). Wie bijenstallen omstootte of er anderszins schade aan berokkende, moest zowel de schade zelf als de kosten van de taxatie door de schepenen betalen. Was de schade moedwillig toegebracht dan moest de deken klacht indienen bij de schout civiel en gerechtsvervolging nastreven (artikel 24). Tot slot werd ook het vangen van bijenzwermen gereglementeerd. Zo was het iedereen verboden op straffe van drie gulden per korf lege korven te zetten buiten zijn eigen tuin, bijvoorbeeld in holen, hoven, bossen, hagen, kanten, gaten, torens, enzovoort. Ook hier was sociale controle aangewezen: de helft van de boete kwam toe aan de klikspaan. Iedereen was ook verplicht het vangen van wilde bijen te melden aan de overdeken, de hoofdman en de dekens. De boete voor nalatigheid bedroeg in dit geval drie gulden en ook hier werd de helft ervan uitbetaald aan de aanbrenger (artikel 26).

Buitendorpse bijenhouders betaalden het heidegeld aan de tollenaar: ‘ontfangen van Pistorius den Thoolener van de buijtenbien die voor desen jare 1733 met gedoogen onder Barle hebben laten vliegen 11-4’. De opbrengst was wisselvallig. In 1741 waren er geen bijen van buitenaf geweest, wat wellicht werd veroorzaakt door de uiterst strenge winter van 1740. Ook 1715 en 1740 waren zeer magere jaren met een opbrengst van minder dan drie gulden. Topjaren waren 1807 (462 stokken à 2 stuivers), 1788 (327), 1786 (295), 1785 (293), 1744 (240) en 1743 (235). Gemiddeld waren er een honderdtal stokken waarvoor heidegeld werd betaald. De Franse bezetters schaften in 1794 de oude privileges van de gilden af waardoor de Sint-Ambrosiusgilde tot 1804 zwaar onder druk kwam te staan. De opbrengsten van de heidegelden daalden spectaculair. In 1794, 1795, 1799 en 1800 werd helemaal niets ontvangen. In 1805 daarentegen werd plots weer betaald voor 200 buitendorpse bijenstokken.

De profijten van de gildenbroeders bestonden naast het heidegeld dat werd betaald voor de ‘heybieën of buytenbieën’ uit opbrengsten afkomstig van de verpachting van gildenbijen. Om lid te worden van de gilde, moest er eenmalig inkomgeld worden betaald. Vroeger betaalde men zijn inkomgeld vaak in natura. Zo kwam de St.-Ambrosiusgilde in het bezit van een grote hoeveelheid houten korven met bijenvolkeren. Na de oprichting van de schuttersgilde in 1712 werd nog slechts tweemaal inkomgeld in natura betaald. In 1773 gaf Jan Leendert Olislagers een gulden bovenop een bijenstok. In 1777 werd ‘ontfangen van Cornelis Willem Verheyen een bie en thien stuyvers voor inkoomen van gild’. Bijna alle gildenbijen waren reeds eigendom in 1712, wat bewijst dat de schuttersgilde Sint-Ambrosius de rechtmatige opvolger was van de veel oudere ambachtsgilde Sint-Ambrosius.

De gildenbijen werden tweejaarlijks op 1 oktober uit de hand verpacht. De pachter of aannemer moest dan in de gildenkamer de namen van twee gegoede personen opgeven die voor hem borg wilden staan.

Soms werd bepaald dat de borgen in Baarle moesten wonen (1792). In andere gevallen werden alleen gildenbroeders als borg aanvaard (1756). In 1724 volstond één borgstelling. Tijdens het tweede jaar van de pachttermijn verwittigde het bestuur de pachter uiterlijk op 15 juni: tegen 30 september moesten de gildenbijen worden terugbezorgd. De teruggebrachte zwermen moesten jong zijn en minstens 36 pond wegen.

De verpachting bracht jaarlijks vier à vijf stuivers per stok op. Meestal werden ‘cavels’ van een tot zeven stokken uitbesteed. Sommige bijenhouders namen heel wat stokken aan. Adriaen Jan van Hoeck pachtte in 1754 maar liefst 16 stokken, in 1756 waren er dat 26 en in 1758 niet minder dan 32. Het totale aantal stokken dat toebehoorde aan de gilde schommelde tussen 84 en 88. Omtrent 1771 werden 20 stuks verkocht à 5-0 per stok. Met de opbrengst van deze verkoop werd in 1774 een nieuw vaandel gekocht. In 1778 werden twaalf stokken verkocht aan Adriaen Smolders (43-4) en twee aan Nicolaes Antonij Roovers (7-4). In 1782 werden er nog eens vijf verkocht aan de erfgenamen van Bartholomeus Janssen uit Ulicoten (20-0) en vier aan Denijs Christiaen Wouters (10-8). In 1788 werd een stok verkocht aan Cornelis Backx (4-0). In 1796 waren er nog 38 stokken, in 1811 nog 29 en een half. In 1813 werden negen en een halve stok verkocht aan Jan Havermans à 5-0 per stok. Vanaf 1772 dus werden regelmatig gildenbijen verkocht. Dit resulteerde in een structurele daling van de gildenprofijten, wat de aantrekkingskracht van het lidmaatschap aanzienlijk verminderde.

Niet iedereen kon lid worden van de St.-Ambrosiusgilde: er waren naast de rechten ook een heleboel plichten. Wie zich als nieuw lid aanmeldde bij het gildenbestuur moest in de eerste plaats vreedzaam zijn en van goede naam en faam. Wie in onmin leefde met één van de gildenbroeders of één van hen ooit ten onrechte had beledigd, kon niet toetreden alvorens de ruzie was bijgelegd. Verder moesten nieuwe gildenbroeders in Baarle wonen.

Men maakte immers bezwaar tegen buitendorpse leden omdat zij als gildenbroeders een deel van de Baarlese bijenprofijten opstreken. Slechts zelden werden niet-ingezetenen aanvaard en het inkomgeld werd voor hen drastisch verhoogd. In 1733 betaalde Michiel Marijnis Laurijsen vijftien gulden inkomgeld. In 1768 ontving de oudste deken tien gulden inschrijvingsgeld ‘van Jan Nicolas Prinsen wont onder Alphen om dat een bieman buyten deser dorpen is’.

Wie door het bestuur werd aanvaard als nieuwe gildenbroeder, moest de gelofte van trouw afleggen en betaalde eenmalig zijn inkomgeld op de jaarvergadering. De kaart van 1712 bepaalde het inkomgeld op drie gulden. In de praktijk werd vaak van dit bedrag afgeweken. Van 1725 tot 1730 betaalden nieuwe gildenbroeders vijf gulden inkomgeld. Later werd dit bedrag verminderd tot vier gulden.

De zoon van een gildenbroeder kreeg steevast een gulden korting. In 1746 waren er ‘drij aengenomen guldebrouders’. Jan Hubregt Backx betaalde vier gulden inkomgeld, Jan van Houtgoor en Jacobus Oomen samen zes gulden ‘vermits hun vaders beijde Gilde Broeders sijn’. Vanaf 1758 werd het inkomgeld verhoogd tot 4-10. Na 1805 werd opnieuw drie gulden betaald om toe te treden tot de gilde, wat in 1806 werd bevestigd door de nieuwe gildenbrief.

Wanneer echter een hele groep nieuwe broeders zich aandiende, was men met minder tevreden. Of verlaagde men gewoon het inkomgeld om nieuwe (en jonge) leden te werven? In 1714 had oudste deken Van Bedaf ‘ontfangen van elf jonge gildebroeders 18 gulden en 3 stuyvers’.

In 1733 betaalden ‘ses nieuwe aengenomen Ghuldebroeders’ samen elf gulden. De rekening van 1804 vermeld ‘17 ingekomen manslieden voor 34-0’. Wie geen lid was, mocht niet meeluisteren bij het voorlezen van de jaarrekening . Het clandestien binnenlaten van niet-leden op de jaarvergadering werd bestraft met 25 stuivers.

De gildenplichten omvatten naast de voorwaarden om te worden aangenomen een strikte gedragscode. De gildenbroeders moeten hun hoofdman eren en respecteren. Zonder tegenspraak moesten ze stipt alle artikelen uit de kaart en alle bestuursbeslissingen naleven, zoniet betaalden ze een geldboete van 30 stuivers. Bij dronkenschap gepaard gaande met vloeken, schelden, dreigen of twisten, volgde een boete van 30 stuivers per vergrijp. Bij herhaling kon de dronkeman door de aanwezigen tijdelijk uit het gezelschap worden verwijderd. Wanneer er werd gevochten tussen twee gildenbroeders, dan moest zo'n uitspatting zonder enige oogluiking door de gildenknecht aan de schout civiel worden gemeld. De betrokkenen moesten zich dan volgens de wetten van het land voor de rechtbank verantwoorden en kregen daar bovenop nog een boete van drie gulden.

De onkosten van het verteer werden jaarlijks berekend door het bestuur en evenredig verdeeld onder de leden na aftrek van de profijten. Gildenbroeders moesten onmiddellijk betalen op straffe van 25 stuivers bovenop het eigen aandeel. Alle bijeenkomsten werden beëindigd door het bestuur waarna de leden recht naar huis moesten keren op straffe van 30 stuivers. Alle uitgepande boetes dienden onmiddellijk te worden betaald. De oudste deken moest bij wanbetaling zo snel mogelijk stappen ondernemen om onder rechterlijke dwang de boetes te kunnen ontvangen. De jaarrekeningen in het manuaal maken geen melding van inkomsten uit boetes. Er mag worden verondersteld dat met de boetes een gedeelte van de verteringskosten werden betaald aan de waard.

Zoals elke vereniging kende ook de St.-Ambrosius schuttersgilde van Baarle-Nassau periodes van bloei en verval. Een absoluut dieptepunt wat betreft de ledenwerving waren de jaren 1794 tot 1803. Gedurende tien bezettingsjaren door het Franse leger werden slechts twee nieuwe leden genoteerd. Van 1804 tot 1807 kwamen er dan weer 38 nieuwkomers bij! Nog een aantal topjaren waren 1746 tot 1751 (20 nieuwe leden), 1757 tot 1759 (12), 1762 tot 1764 (14) en 1769 tot 1772 (12).

Wie uit de gilde stapte, moest dit melden aan de oudste deken. Een uittredend lid betaalde de gilde drie gulden en mocht niet nalaten de gilde tijdens de jaarvergadering behoorlijk te danken. Na de uitschrijving kon men ten alle tijde opnieuw toetreden mits het betalen van inkomgeld. De meeste broeders waren lid voor het leven en werden pas uitgeschreven bij hun overlijden.

Veel uitgaande leden verlieten de bijengilde na jarenlang lidmaatschap. Sommigen verhuisden, anderen vluchtten noordwaarts na de inval van de Fransen in 1794. Onder hen bevonden zich o.a. hoofdman Adriaen Ente en schepene Hendrick Struyk van Bergen. Volgende personen verlieten de gilde wegens onbekende redenen:
Coernelis Verheyden 1749-1753 (na 4 jaar)
Jan Reyntins 1761-1774 (na 13 jaar)
Cornelis Jan van Reuth 1758-1774 (na 16 jaar)
Cornelis Rulis 1740-1782 (na 42 jaar)
Cornelis Stops 1758-1786 (na 28 jaar)
Jan Peeter Verhoeven 1761-1791 (na 30 jaar)
Jan Nicolaas Prinsen 1767-1791 (na 24 jaar)
Hendrik de Bont 1769-1795 (na 26 jaar)
Jasper Verheyen 1785-1796 (na 11 jaar)
Jan Huybrecht Bacx 1746-1801(?) (na 55(?) jaar)
Cornelis Jan Hapers 1780-1806 (na 26 jaar)
Jacobus van den Heyning 1771-1812 (na 41 jaar)

Het verband met de Kerk

Het manuaal van de St.-Ambrosiusgilde van Baarle-Nassau vermeldt de verplichte aanwezigheid van de leden op de volgende dagen: ‘St Ambrosiusdaege’ (7 december), ‘Bael Omganck’ (de tweede zondag na Pinksteren), ‘donderdaegs voor den omganck’ (Sacramentsdag) en tijdens de ‘kermisdaeghe’ (het eerste weekend van oktober).

Op Sacramentsdag gingen de gildenbroeders samen naar de mis. Drie dagen later ging in Baarle de ommegang of processie uit en waren ze opnieuw present, dit keer om het houten beeld van St.-Ambrosius te dragen. Dat beeld stond op een altaar in de Remigiuskerk en was eigendom van de gilde. Jaarlijks werd het beeld uit de kerk gehaald, ‘opgezet’ en schoongemaakt. In 1714 werd dit karwei uitgevoerd door de waard, Philipus van Bedaf. Voor het afhalen en opzetten werd telkens acht stuivers betaald uit de gildenkas. Het schoonmaken van de patroonheilige kostte zes stuivers. In 1733 reinigde ‘jouffrou Nelst’ het beeld. In 1806 werd een ‘kransken’ gevlochten voor 12 stuivers.

Na afloop van de ommegang werd gedronken in de gildenkamer. In 1729 werd aan Willem Baumans een gulden betaald ‘van verteerde gelage van den verleden omganck’. Op 24 mei 1815 en op 5 juni 1816 werden telkens drie vaten of anderhalve ton bier gedronken.

De kermisdagen waren eveneens verplichte aanwezigheidsdagen voor de gildenbroeders. Werd dan de kerkwijding herdacht of vierde men de naamdag van de patroonheilige van de parochie? Na de plechtige mis werd in ieder geval stevig gedronken. Op 5 oktober 1815 verteerden de gildenbroeders drie vaten bier (7-10). Een jaar later, eveneens op 5 oktober, werden twee vaten leeggedronken (5-0).

Heiligendagen waren belangrijk voor de jaarkalender: de prijsschieting vond plaats op St.-Christoffeldag (25 juli), de verpachting van de gildenbijen op St.-Bavo (1 oktober) en de jaarvergadering van de gilde werd gehouden op St.-Ambrosiusdag (7december). Op laatstgenoemde dag werd het overlijden van de patroonheilige der imkers herdacht.

De jaarvergadering was voor de gilde de belangrijkste dag van het jaar. De gildenbroeders waren verplicht present en vaak werd er zelfs twee dagen lang gefeest. De eerste dag, in 65% van de gevallen op St.-Ambrosiusdag zelf, werd door het bestuur gevierd. De tweede dag was het feest voor iedereen. In 1816 betaalde men de waard op 7 december zes gulden en vier stuivers voor het verteer van de ‘heeren’. Zij rookten acht lange pijpen (0-4) en dronken jenever (0-8). De volgende dag werd eerst door vier personen gegeten (2-0). Dan volgde de mis voor de overledenen waarbij de gildenbroeders offerden op het altaar. In 1705 werd een gulden, zestien stuivers en drie duiten ‘geoffert op den altaeren door de guldebroeders van St Niklaes, Ambrosius en Ste Sebastiaen’.(*22) Daarna werden de kaart en de jaarrekening voorgelezen. In 1725 trad de pastoor op als getuige. Hij ondertekende de rekening in het manuaal met ‘Quod Attestor, past. C.J. de Wijse’. Na de verkiezing van de nieuwe deken werd nog veel gezongen en gedronken.

De speelman ontbrak nooit op het teerfeest. Er werd ongetwijfeld gedanst, maar in het manuaal worden nergens de gildenzusters vernoemd. Het lidmaatschap leek uitsluitend voorbehouden aan mannen.

In de kerkrekeningen vinden we slechts één enkele zin die deze veronderstelling tegenspreekt: ‘Item ontfangen van het licht gebrant hebbende op de baere der guldenbroeders ende susters der gilde ende confrerie van St Ambrosius...’.(*20)

Gildenbroeders hielpen mekaar in goede en in slechte tijden. Bij een huwelijk van één van hen werd samen gefeest. Volgens de kaart van 1712 moest de bruidegom trakteren met een vat bier ter waarde van drie gulden. Vanaf 1805 trakteerde men met een ton bier (twee vaten) en werd daarvoor zes gulden geschonken aan de gilde. Op 20 juni 1808 werd een nieuw lid ingeschreven in het manuaal: ‘in 't St Ambrosiusgild opgenomen Joannes Luijckx welke zich ingevolge artikel 13 der Chartergilde verbind zodra hij komt te trouwen te betaelen zes guldens eens of een ton bier...’. Later werd erbij genoteerd: ‘Den bovengemelden Joannes Luijckx heeft betaelt zes guldens ingevolge de bovenstaende.’ Hij had zijn gildenplicht vervuld.

Wanneer een lid kwam te sterven, moesten de erfgenamen de gilde hiervan op de hoogte brengen. Van de gildenbrief uit 1712 bestaan twee versies. Volgens het afschrift dat in Alphen wordt bewaard, moesten de gildenbroeders in hun rouwmantels de begrafenis bijwonen op straffe van 25 stuivers. De gekopieerde versie in het manuaal maakt geen vermelding van rouwmantels en stelt als boete slechts zes stuivers.

De gildenbrief van 1805 neemt deze laatste gegevens over. Na de begrafenis werd uit de nalatenschap drie gulden geschonken aan de gilde ter ere van de afgestorvene (Alphense versie). In het manuaal en de kaart van 1805 bedroeg het ‘lijkbier’ zes gulden of een ton bier. En op 26 maart 1816 werd door de weduwe Van den Houtgoor een ton dubbel bier besteld voor de gildenbroeders (8-0). Joannes Petrus Martens vroeg de gilde hiervoor een gulden en dertien stuivers tapgeld. Ook op 7 oktober 1816 werd een ton lijkbier gedronken.

In 1767 werd een pond crippe ter waarde van een gulden aangekocht. Deze dunne, doorschijnende stof werd vaak gebruikt voor het maken van rouwkledij. Mogelijk werd hiervan een rouwkleed gemaakt om de kist af te dekken. In 1808 werd een nieuw rouwkleed aangekocht. De doden werden geëerd met waslicht: ‘Item ontfangen voort licht gebrand hebbende op de baere van Ste Ambrosius alhier’. Zes stuivers kerkrechten voor het waslicht werd er jaarlijks betaald aan de kerkmeester. Tevens moest ook nog het waslicht zelf worden aangekocht. Van 1719 tot 1733 werden jaarlijks kaarsen met een gezamenlijke waarde van drie gulden gekocht bij Daniel van Reut. Er waren toen twee uitzonderingen: in 1720 leverde Peter Cruysweijghen het nodige waslicht en in 1721 Adriaen van Hoeck. Na 1733 werden geen namen van wasleveranciers genoemd. Jarenlang bedroeg de jaarlijkse uitgavepost voor waslicht drie gulden. Vanaf 1804 werd vijf gulden besteed.

Ter nagedachtenis van de overleden gildenbroeders werd een plechtige mis opgedragen. Voor het ‘celebreren van 't Sacreficie van de Misse op St Ambrosiusdag’ werd meestal een gulden en zes stuivers gegeven aan de pastoor. Sommige jaren waren er meerdere diensten en liepen de kerkenrechten op tot bijna vijf gulden. Niet alleen de pastoor werd gehonoreerd voor de kerkdienst. In 1725 ontvingen ‘de keusters’ twaalf stuivers. In 1808 werd extra geld uitgegeven voor ‘de korsters’ en voor het orgelspel. In 1812 kreeg de koster twaalf stuivers en de schoolmeester verdiende zes stuivers aan het orgel. In 1809 is er sprake van een ‘koster ende kostersse’. In 1719 werd een gulden uit de gildenkas gegeven aan de ‘luyers’ (klokkenluiders). Uit al deze gegevens blijkt overduidelijk het nauwe verband met het rooms-katholieke leven.

De kaart vermeld terecht de vrees voor conflicten ‘over 't point van de religie’: niets mocht worden ondernomen wat kon leiden tot godsdiensttwisten. De situatie was dan ook bizar: de Nederlandse wet verbood uitdrukkelijk de uitoefening van de rooms-katholieke eredienst op Nederlands grondgebied. Het protestantisme was bijgevolg de enige godsdienst die werd toegelaten. In Baarle-Nassau echter werd de wet handig omzeild: de parochiekerk stond immers op het grondgebied van Baarle-Hertog. De spanningen tussen de schout van Baarle-Nassau en de pastoor liepen soms erg hoog op. Drie hoofdmannen van de gilde, Peeter van Bernagie, Floris van Gils en Adriaan Ente, waren overtuigde protestanten. Vanuit hun functie van schout stelden ze alles in het werk om het leven van de pastoor te verzuren. Vanuit hun functie van hoofdman van de St.-Ambrosiusgilde was het hun taak de Baarlese kerk te ‘beschutten’...

De Franse bezetters schaften de staatsgodsdienst af. In de kaart van 1805 is de tekst over het vermijden van godsdiensttwisten niet meer opgenomen. Pieter Cornelis van Ghert, hoofdman van 1794 tot 1819, had zich overigens al in 1776 bekeerd tot het rooms-katholieke geloof.

De gildenkamer, de waard en het jaarlijkse teerfeest

De meeste gildenactiviteiten vonden plaats in de gildenkamer. Ook nu levert een zoektocht in het manuaal weer bijzonder leuke gegevens op. Zo werd de gildenkamer gehuurd bij een waard. Op vastgestelde dagen werd in zijn herberg ruimte voorbehouden voor zo'n 20 à 60 leden. De huisvesting of besteding kostte de gilde in 1715 acht gulden en vijf stuivers. Ook in 1807 werd de waard betaald voor het verschaffen van onderdak. In 1818 werd er zes gulden huur betaald. In 1712 was de gildenkamer ondergebracht bij Philipus van Bedaf in Den Engel. In 1721 verhuisde de gilde naar ‘vrouw Leppens’. Van 1727 tot 1731 huurde men een kamer bij Willem Baumans aan de Reth.

Daarna keerde de gilde terug naar Den Engel, eerst nog bij ‘vrou Van Bedaf’, vanaf 13 maart 1737 bij de nieuwe waard: Cornelis Tuytelaers. Cornelis was afkomstig van Ulicoten waar zijn vader brouwer was. Hij huwde met Anna van Dorst, kocht Den Engel en werd meteen lid van de St.-Ambrosiusgilde. Hij zou de waard van de gilde blijven tot bij zijn overlijden in 1767. Anneke van Dorst stierf in 1778, waarna haar zoon Hendrick de zaak overnam. In 1788 werd Waltherus van Dijk genoemd als eigenaar van Den Engel en waard van de gilde. Hij was gehuwd met een dochter van wijlen Cornelis Tuytelaers. In 1807 was Jan Baptist van den Kerkhof de patroon van Den Engel. De gilde bleef er gehuisvest tot 1818. In 1816 werd tevens een rekening betaald bij herbergier J.P. Martens aan de Singel (naast de kerk). Werd toen Den Engel verbouwd? De volgende jaren betaalde de gilde de waard voor het tappen van het bier en de brouwers Van Gilse en Van Gorp voor de geleverde tonnen. De tapprijs bedroeg een gulden en dertien stuivers per ton. Was er in die periode geen brouwerij meer verbonden aan Den Engel?

In veel rekeningen van de gilde staat de waard centraal. Vanaf 1788 zijn de rekeningen meer gedetailleerd wat betreft de ‘generalen ommeslagh’: de eindafrekening waarbij iedere gildenbroeder zijn deel moest betalen na aftrek van de gildenprofijten.

Bij elk teerfeest waren er een tiental ‘bijteerders’: mensen die ‘buyten de gilde seyn en mee hebben comen teeren’. In 1796 en 1799 waren er maar drie bijteerders, in 1801 maar liefst dertien tegenover 24 gildenbroeders. Opvallend is het verval van de gilde na de Franse invasie: in 1793 waren er 45 ‘gelagsluyde’, in 1795 nog 35 en in 1802 slechts 21.

Het verteer bestond voornamelijk uit bier. In 1719 kostte een ton bier zes gulden en zes stuivers, in 1815 betaalde men voor een ton vijf gulden. Bier werd steeds geleverd in tonnen of vaten: de inhoud van een ton was gelijk aan die van twee vaten. Op het jaarlijkse teerfeest werd veel gedronken. De rekening van 1790 vermeld maar liefst 23,5 tonnen bier of een gemiddelde van een ton per 2,6 gildenbroeders. Andere teerfeesten lag het verbruik op een ton per 4 à 6 drinkebroers. In 1816 werd tweemaal geteerd: op 15 maart werd anderhalve ton bier gedronken en op 8 december vier tonnen.

Op andere bijeenkomsten werd aanzienlijk minder gedronken. In 1815 en 1816 verteerde men met ‘Bael Omgang’ en tijdens de kermis telkens per dertien personen een ton bier. Er werden verschillende soorten bier gedronken. In 1812 dronk men x8 kanne leng bierx (aangelengd) en in 1816 een ton dubbel bier (8-0).

Daarnaast werden er nog andere onkosten door de waard aangerekend. In 1809 leverde Jan Baptist van den Kerkhof wijn aan de gilde. Geregeld werd ook jenever geschonken. Op 15 maart 1816 werd 's morgens voor vier stuivers jenever gedronken bij Jan Peter Martens. Op 21 juli van dat jaar werd er tien stuivers voor jenever betaald, op 1 september acht stuivers, op 7 oktober (kermis) vier stuivers en op 7 december (jaarvergadering) acht stuivers. In 1818 werd een gulden en vier stuivers betaald uit de gildenkas voor ‘soupé’ of ‘zuipe’. Met zuip of gesuikerde jenever werd getrakteerd ter gelegenheid van de verkiezing van een nieuwe deken.

Op 1 september 1816 werd door het bestuur 's avonds gegeten (1-12) en koffie gedronken (1-4). Op 8 december 1816 at het bestuur opnieuw op kosten van de gildenkas (2-0). In 1812 werden verse noten aangekocht bij M. Vinkx (1-4 en 0-10).

In de gildenkamer werd gerookt. Op 15 maart 1816 werd de waard betaald voor het leveren van ‘4 lange peypen’ (0-2). Op St.-Ambrosiusdag werden opnieuw acht lange pijpen aangeschaft (0-4). Eveneens in 1818 werden acht pijpen aangekocht en werd er met de kaarten gespeeld: de waard verkocht aan de gilde kaarten ter waarde van drie stuivers. Op 15 maart 1816 kostte de verlichting van de gildenkamer zes stuivers. Tot slot ontving de waard op 15 augustus 1816 twee stuivers voor het bezorgen van een brief.

De schuttersactiviteiten

In 1712 werd de ambachtsgilde van de Baarlese ‘bieboeren’ omgevormd tot een schuttersgilde. Toch kwam het schieten maar op de tweede plaats: als ontspanning was het vooral een modegril. Zelden ook werd er op de bijeenkomsten geschoten. De gildenbrief bepaalde dat de gildenbroeders zich alleen met goedvinden van de overdeken en de dekens mochten oefenen in het afschieten van de prijs of de vogel. De enige dag die daarvoor in aanmerking kwam, was 25 juli. De drie eerste schoten kwamen toe aan de overdeken in naam van de Heer van Breda. Vanaf 1805 kwam deze eer toe aan de schout civiel als hoofd der politie en bij zijn afwezigheid of weigering aan de hoofdman van de gilde.

Naast deze jaarlijkse prijsschieting was er de koningsschieting. Die werd om de vijf jaar georganiseerd, tenzij de gildenbroeders eerder wilden schieten. In 1721 vond de koningsschieting plaats op 7 oktober, tijdens de Baarlese kermisdagen. Mogelijk was er elk jaar met de kermis een prijsschieting: sommige jaren namelijk werden meerdere vogels besteld. De gildenrekeningen van 1733, 1782 en 1804 vermelden zo’n uitgaven.

Ook in 1743 werden bij Cornelis Ruelens vier ‘vogelen’ gekocht. Bovendien moesten tijdens de kermisdagen alle leden aanwezig zijn. Ook bij andere feestelijkheden werd de gilde vaak uitgenodigd. Bij het bezoek van koning Willem I aan Baarle (1809) werd de St.-Ambrosiusgilde gevraagd om bij de intrede van zijne majesteit ‘in volle ordre op te trekken zoo als zulks bij andere vermakelijkheden plaats heeft’. De verjaardag van koning Willem I werd opgeluisterd met ereschoten van de gildenbroeders, net als de geboortedagen van keizer Napoleon en zijn zoon, ‘de koning van Roomen’. Telkens werden de broeders voor hun bewezen diensten door de schout getrakteerd met een glas bier in de gildenkamer. Soms werd zelfs een vat getapt.(*21)

De St.-Ambrosiusgilde was een kolveniersgilde. Dat konden we reeds vermoeden aan de hand van de vastgestelde dag van de vogelschieting: 25 juli is de naamdag van St.-Christoffel, patroon van de kolveniers. Sommige documenten vermelden uitdrukkelijk dat er werd geschoten met ‘haken’: vuurwapens met een langere loop en een groter kaliber dan de oudere hand- of loopbus. Haken hebben aan de onderkant van de loop een haak die op een vork wordt geplaatst om de terugstoot op te vangen. De ontsteking van de kruitlading geschiedt door middel van een lontslot of een radslot. Haken zijn de voorlopers van onze geweren.

In 1767 werden zestien vuurstenen aangekocht voor vier stuivers en op 9 november werd er ter gelegenheid van een viering meer dan vijf gulden betaald aan poeder. Datzelfde jaar werd nog een half pond kruit gekocht (0-6) en leende de hoofdman bij het schieten van de vogel veertig kogels (0-8-8). In 1765 en 1766 leverde Peeter Drabben 356 kogels (4-9). Ook Cornelis van Camp verkocht kogels (0-6-4). Adriaen Bastiaenen bezorgde poeder en kogels (2-11-12), net als Jan Boumans (0-12-4). Hendrikus Willebors leverde in 1765 drie en een achtste pond poeder (1-17-8). Het jaar daarop verkocht hij wederom poeder (1-4). Verder werd er poeder gekocht van Adriaen Jan van Hoeck (5-10) en ‘Monsieur’ Jan van Reuth (0-6).

De staande wip of schuttersboom werd vaak vermeld in de jaarrekeningen. Geregeld moesten reparaties worden uitgevoerd. In 1714, 1729, 1760 en 1777 werd een nieuwe boom aangeschaft. In 1729 kostte de boom 10 gulden en 10 stuivers. Hij werd gekocht van de erfgenamen Cornelis de Wilden. Hetzelfde jaar nog werd hij omgehakt (1-4). In 1730 werd de boom naar het plein nabij de gildenkamer overgebracht. Ook de bomen van 1760 en 1777 waren pas het daaropvolgende jaar gebruiksklaar. Elke aankoop van een nieuwe boom werd gevierd. In 1730 werden zestien stuivers betaald ‘toen de dekens de wip west koepen hebben’. In 1760 werd een gulden en vijf stuivers uitgegeven aan ‘verteiring toen wij de wip gekocht hebben’.

Het afval van de omgehakte boom werd in 1729 verkocht aan de kinderen van Peeter van der Scoodt (0-18). In 1714 werden vijf ‘daghgelden voor uytvoore vande boom’ betaald uit de gildenkas, met daarbij ‘cost ende dranck aende boswachter etc. tsamen 14-9’.

Vervolgens werd de boom op een kar geladen en naar Baarle vervoerd: ‘aen de wip van vracht ende van laeden 4-3’ (1730). De boom werd dat jaar geplaatst aan de Reth, waar in de herberg van Willem Boumans een gildenkamer werd gehuurd. Het manuaal vermeldt ‘het aenvaeren van de boom aen de Reth voor 1-4’. Het vervoer gebeurde ook in 1760 via het water: ‘van de wip naer water brengen 2-13-8’. Er diende naast ‘paspoor en tol’ het nodige ‘bruggeld’ te worden betaald. In 1714 kostte het vervoer van de boom maar liefst 21-1, tol en verteringskosten niet inbegrepen. In 1777 kostte ‘de vragt van haalen 9-10’.

Eens de boom ter plaatse kon het eigenlijke werk beginnen. De smid maakte het nieuwe ijzerwerk aan de boom. In 1714 werd daarvoor tien gulden en zestien stuivers gerekend door Henrick Smekens. Het ijzerwerk bestond o.a. uit een plaat, een slot en sleutels (1749). In 1743 was Henrick Smekens nog steeds actief als smid. In 1758 herstelde smid Anthoni Hendrickx van Zondereigen ‘de plaet onder de vogel ende het sloet van den boom’ voor 0-12. In 1761 kostte het ijzerwerk van de nieuwe boom 2-14. In 1790 werden veertien stuivers uitgegeven ‘aan de plaat en ring tot de vogel’. De plaat onder de vogel werd vaak stukgeschoten. Minstens zeventien keer werd ze door de smid vervangen. Voor zo'n plaat werd er acht stuivers betaald.

Vervolgens werd een mik op de boom gemaakt. In 1730 verzorgde timmerman Peeter van Haepert dit karwei voor twaalf gulden en twaalf stuivers. In 1761 kostte het maken van de wip en het bestrijken met teer 9-6-8. In 1730 werd bovenop de boom een spar als mik geplaatst. In 1743 werd de mik gemaakt en geplaatst door de smid, Hendrick Smekens. In 1778 werd er twintig gulden besteed ‘aen de wip in den schutboom’. Er werd een kuil gegraven waarin de boom werd geplaatst. In 1761 werden bij het plaatsen twee steunen aangebracht aan de ‘waen’. Het plaatsen van de boom werd gevierd. In 1714 bedroegen de verteringskosten xint setten vande schuttersboom ende met schieten van de prijs 21-5x.

Voor elke vogelschieting werd de plaat door de smid gecontroleerd op schade. Bij de timmerman werd een vogel besteld. Een houten vogel kostte ongeveer zes stuivers. Voor het timmerwerk deed de gilde een beroep op Hendrick Ruelen (1721), Peeter van Haepert (1733, 1735) en Cornelis Ruelens (1743, 1758 en 1765). De vogel werd door de smid bovenop de mik geplaatst.

Soms moest de wip worden hersteld. In 1743 ontving Hendrick Smekens loon voor het ‘reppareren van den boem’. In 1753 werd 12-18 betaald ‘aan de reparasi van de schutboom als hout, verf, olie en arbeyt’. In 1765 verdiende Cornelis Ruelens meer dan tien gulden met het ‘repperen van den schutboom’. In 1774 werden kuilen gegraven waarin ‘vier eijcke paalen tegen den schutboom’ werden geplaatst (9-16). ‘De reperasie van den boom’ kostte in 1814 maar liefst 35-12.

Wanneer de wip niet meer te herstellen was, werd hij publiek verkocht. De eerste boom werd verkocht in 1726 na twaalf jaren dienst: ‘ontfanghen van den ouden schutsboom die publiek is vercoght 3-9’. De nieuwe boom was pas in 1730 gebruiksklaar. Er werd die jaren niet vaak geschoten door de gildenbroeders. In 1778 werd de oude wip verkocht voor drie gulden na de ingebruikname van de nieuwe.

Al deze gegevens maken een voorzichtige schatting van de kostprijs van een 18de-eeuwse staande wip mogelijk. Opmerkelijk zijn de grote prijsverschillen. In 1714 werd er ruim 50 gulden besteed. De wip van 1730 kostte 42 gulden, die van 1761 ongeveer 30. De staande wip van 1778 was een flink stuk duurder. Er werd ruim 77 gulden voor betaald. Al deze bedragen vormden in ieder geval een grote investering, rekening houdende met het geringe aantal prijsschietingen.

De teloorgang van de oude privileges en van de schuttersactiviteiten
De Franse inval in 1794 kondigde het einde aan van de St.-Ambrosius schuttersgilde. De nieuwe ideeën van die tijd keerden zich tegen de oude privileges en de monopoliepositie van de gilde. Zo ontstond een verlies van inkomsten: in de jaren 1794, 1795, 1799 en 1800 werd geen heidegeld ontvangen van buitendorpse bijenhandelaars. Tot 1804 bleven de profijten die voortkwamen uit de eeuwenoude gildenrechten zeer miniem. Deze plotse en onverwachte daling van inkomsten kwam erg hard aan. De gildenbroeders zagen immers al sinds 1771 geleidelijk aan hun profijten verminderen door de verkoop van gildenbijen ten voordele van de aanschaf van een nieuw vaandel.

Bijna alle onkosten moesten voortaan worden verhaald op de gildenbroeders, wat het lidmaatschap weinig aantrekkelijk maakte. We bemerken dan ook, mede door de Franse bezetting, een sterke terugval van het ledenaantal. Deze tendens werd ingezet toen in 1794 maar liefst tien Baarlenaren de gilde verlieten en noordwaarts vluchtten. Onder hen bevond zich hoofdman Adriaen Ente. Hij zou nooit meer naar Baarle terugkeren en werd als hoofdman vervangen door Pieter Cornelis van Ghert, één van de nieuwe Baarlese bewindvoerders.

Lag in 1794 de gildenwerking volledig stil, eind 1795 werd er opnieuw geteerd en kon een nieuwe deken (en hoofdman?) worden gekozen. Toch bleef het bergaf gaan met de gilde. Van de 50 gelagslui in 1790 bleven er in 1802 slechts 21 over. De oorzaak was het ontbreken van de noodzakelijke verjonging. Van 1794 tot 1803 werden maar twee nieuwe leden ingeschreven. Tien jaar lang zat de gilde in een diep dal tot in 1804 plots het tij keerde. Op drie jaar tijd noteerde de deken maar liefst 38 nieuwe leden: een ware overrompeling. Het lidmaatschap werd weer aantrekkelijk door de hernieuwde inkomsten van heidegeld. Deze oude gildenrechten brachten op drie jaar tijd 111 gulden en vier stuivers op.

Het grote aantal nieuwe leden werd misschien ook in de hand gewerkt door de opheffing van twee andere Baarlese gilden: de St.-Nicolaesgilde en de St.-Hubertusgilde hielden rond deze tijd op te bestaan. De St.-Ambrosiusgilde echter floreerde als nooit tevoren toen op 26 maart 1805 een nieuwe kaart werd ontvangen van het Departementaal Bestuur van Brabant. Toch was het gevaar niet geweken. Na de val van Napoleon moest in 1816 de gildenbrief opnieuw worden vernieuwd, rekening houdende met ‘de nodige veranderingen des tijds’.(*22) Het gildenbestuur stuurde haar kaart met een verzoekschrift op naar de Gedeputeerde Staten der provincie Noord-Brabant. Op 11 augustus 1816 zond het Commissariaat van het district Breda een rekwest ter consideratie aan burgemeester C.A. Hendrickx van Baarle-Nassau.(*23) In zijn antwoord schreef hij dat een gilde zoals die had bestaan voor 1811 door de staatsverandering geen wettig bestaansrecht meer had.(*24)

Toch stelde hij voor om niet vooruit te lopen op eventuele wetten van koning Willem I maar om ‘provisioneel eenige maatregelen van policie te nemen en zo te zorgen voor de instandhouding van de bienteelt’. Dit zou eventuele conflicten tussen bijenlieden moeten voorkomen of oplossen. De burgemeester stelde voor om de artikelen 17, 18, 19, 20 en 22 uit de gildenbrief van 1805 daarvoor als basis te nemen en ze enigszins aan te passen. Alle andere artikelen van de kaart moesten komen te vervallen.

Het is duidelijk dat de burgemeester de gilde geen warm hart toedroeg. De oude rechten en privileges wilde hij de vereniging ontnemen. De bijenteelt zelf zou voor Baarle behouden blijven, maar de term ‘gildenbroeders’ moest worden vervangen door ‘bijenhandelaars’. De gemeente zou verantwoordelijk zijn voor de bijenteelt en de oude rechten innen ten voordele van de Baarlese armen.

De voorgestelde maatregelen werden goedgekeurd door de districtscommissaris: de St.-Ambrosiusgilde van Baarle-Nassau werd volledig buitenspel gezet. De eeuwenoude gilde moest een gewone vereniging worden.(*25) Ze overleefde deze aanslag ternauwernood en de zorgen stapelden zich op. Hoofdman P.C. van Ghert zetelde sinds 1810 in de Gedeputeerde Staten der provincie en verbleef in 's Hertogenbosch. Contacten met de hoofdman verliepen steeds per briefwisseling. Het manuaal werd slordig ingevuld door de dekens en losse nota's werden niet meer ingeschreven. Na 1814 werden geen inkomende rechten meer genoteerd en verdwenen de inkomsten uit de bijenverpachtingen.

In 1814 werd de wip gerepareerd en kort daarna waren er problemen met de gildenkamer: die verhuisde in 1816 naar de herberg van J.P. Martens aan de Singel (naast de kerk). Een paar jaar later werd teruggekeerd naar Den Engel. Alle problemen tezamen leidden omtrent 1818 tot het einde van de schuttersactiviteiten.

De allerlaatste dekenverkiezing dateerde volgens het gildenmanuaal van 8 december 1818. Jan Sprangers werd verkozen door het bestuur met eenparigheid van stemmen (7/7). De ledenlijst van datzelfde jaar vermeld 25 namen, o.a. hoofdman P.C. van Ghert, koning Jacobus Verbander, vaandrig Willem Olislagers, tamboer en knaap Antonius Willemsen en speelman Jacobus Kokken. Na 1818 werden nog slechts enkele regels in het manuaal bijgeschreven. De omslag ervan vermeldt dan ook 1818 als het laatste jaar van bestaan.

Het einde was nabij. Rond juli 1819 stuurden ‘Hoofdman, Overdeken en Dekenen van het voormalige zoogenaemde Ambrosius of Bijengilde te Baarle-Nassau’ een rekwest naar Z.M. de Koning met het verzoek tot het verkrijgen van een nieuwe kaart. Het antwoord liet lang op zich wachten. Op 14 oktober schreef de burgemeester dat het verzoekschrift ‘niet anders is dan eene herhaling... en dat volgens de wetten zoodanige corporatie, onder welke benaming men die gelieve te doen voorkomen, geene wettige existentie heeft, zoals de Ged. Staten bij der zelver besluit van den 3 sept 1816 Litt P met even zo vele woorden zeggen.’(*26)

De verhouding tussen het gildenbestuur en de burgemeester bereikte een dieptepunt. Het rekwest van 1819 bevatte een aantal hatelijkheden en verwijten aan het adres van de burgemeester, waarop deze reageerde met het beschimpen van de gildenhoofdman in zijn antwoord aan het commissariaat. Met het overlijden van P.C. van Ghert in Baarle-Nassau op 8 november 1819 leek het lot van de gilde bezegeld.

In 1822 kwam er een laatste stuiptrekking en werd er grof gespeeld in de hoop alsnog een nieuwe kaart te verkrijgen. Op 31 juli vroeg de districtschout aan burgemeester Hendrickx een afschrift van het reglement van ‘het Bijenliedengilde, dat de betrokkenen beweerden te hebben ontvangen in 1816 van de Heren Gedeputeerde Staten dezer provincie’. Driejaarlijks moest de kaart namelijk worden getekend en het bestuur van de gilde beweerde in het bezit te zijn van zo'n document.

Een leugentje om bestwil? De burgemeester kon er niet mee lachen en antwoordde: ‘Zoodanig stuk bestaat niet. Wel is waar dat men zig daar over heeft geadresseert, dog dit request is van de hand gewezen, blijkens besluit van den derde september 1816.’ (*27)

Op 26 januari 1825 gaf de burgemeester verdere inlichtingen aan de gouverneur der provincie over ‘voormaals bestaan hebbende schutterijen’: ‘...dat in deze gemeente heeft bestaan de zogenaamde Bijen of St Ambrosius Gild, welk egter geene bezittingen heeft ten ware men hier mede mogte verstaan eenige Zilvere schilden, een trommel en vaandel van genoegzame geene of geringe waarden.’ (*28) Burgemeester Hendrickx schreef nadrukkelijk over de gilde in de verleden tijd. Volgens hem bestond ze niet meer.

De gilde overleefde echter als een gewone vereniging. Zo gaf de deken jaarlijks zes stuivers voor het waslicht dat gebrand had op de baar van de overledenen. Maar men nam niet deel aan optochten, zoals ter ere van het 25-jarig regeringsjubileum van koning Willem III (12 mei 1874) of de inhuldiging van koningin Wilhelmina (14 september 1898).(*29) De bijenvereniging bestond tot in 1926. Toen ging ze op in een veel grotere afdeling van de bijenhouderbond van de N.C.B.: het accent kwam daarmee meer te liggen op de bijenteelt en minder op het verenigingsleven. Toch werd nog lange tijd het jaarlijkse teerfeest gevierd rond de feestdag van St.-Ambrosius.

De huidige bijenhouderbonden van Baarle-Nassau en Ulicoten zijn de rechtstreekse opvolgers van de aloude St.-Ambrosiusgilde. De ‘Bijenbond St.-Ambrosius Baarle-Nassau’ werd in 1926 opgericht. De eerste voorzitter was C.A. van den Broek, secretaris-penningmeester J. van den Boom en bestuurslid C. Peeters. Bij de oprichting waren er 22 leden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren er 60 aangeslotenen. Bij de viering van het 40-jarig bestaan, in café Riggeling aan de Singel, waren er opnieuw 20 leden met in totaal zo'n 200 bijenvolken.

Antoon Jansens was in 1966 voorzitter en Martin A. Josten secretaris-penningmeester. De overige bestuursleden waren H.J. van den Broek en J.C. van Beek.(*30) Sindsdien werd de naam van de vereniging veranderd in ‘Bijenhoudervereniging De Enclave’. Thans is de huidige secretaris C. van den Brandt. Ulicoten richtte in 1931 zelf een bijenhouderbond op.


Bronvermelding:

*01) E. VAN AUTENBOER, in Baarle in stukken, p.192, uitg. heemkundekring Amalia van Solms, Baarle-Nassau 1992.
*02) RA Antwerpen, Kerkarchief Baarle-Hertog, manuaal van het H. Rosenkransken 1642-1849.
*03) H. JANSSEN e.a., De Noordelijke Singelpanden, p.25, uitg. Rabobank, Baarle-Nassau 1994.
*04) RA Antwerpen, Kerkarchief Baarle-Hertog, kerkrekeningen (dd.1689, 1693 en 1705).
*05) E. VAN AUTENBOER, in Baarle in stukken, p.192-195, uitg. heemkundekring Amalia van Solms, Baarle-Nassau 1992.
*06) Grote Winkler Prins encyclopedie, deel 2 p.21-22, Amsterdam Elsevier Antwerpen 1990.
*07) P. LINDEMANS, Geschiedenis van de landbouw in België, deel 2 p.453, Antwerpen 1952.
*08) R. VAN HASSELT, Over Bieboeren in West-NoordBrabant, p.14, jaarboek de Ghulden Roos IV 1944-45.
*09) J. LAUWERIJS, True: waar gebeurd, p.12, uitg. HOK, Hoogstr. 1971.
*10) E. VAN AUTENBOER, Van soete bijen, p.34-37, Ons Heem jg.35 nr.2.
*11) RA Antwerpen, Kerkarchief Baarle-Hertog, kerkrekening (dd. 1623).
*12) E. VAN AUTENBOER, Van soete bijen, p.34-37, Ons Heem jg.35 nr.2.
*13) E. VAN AUTENBOER, De bijengilden van Sint-Ambrosius in het oude Hertogdom Brabant, p.40-61, Ons Heem jg.35 nr.2.
*14) GA Alphen, tweede afdeling: portefeuille 75.
*15) GABN voorlopig inventarisnummer 685 (dd.1713-1818).
*16) GABN voorlopig inventarisnummer 628 (dd.1805).
*17) GABN voorlopig inventarisnummer 685 (dd.1713-1818).
*18) Dr. A. MOMMERS, Brabant van generaliteitsland tot gewest, deel 2 p.385-387, uitg. Dekker en Van de Vegt, Utrecht/Nijmegen 1953.
*19) P. ADRIAENSEN, Zeg het met bijen, uitg. C. De Vries-Brouwers, Rotterdam/Antwerpen 1994.
*20) RA Antwerpen, Kerkarchief Baarle-Hertog, kerkrekening (dd.1705).
*21) GABN voorl. inv. nrs. 56 (dd.29 augustus 1807) en 57 (dd.6 april 1809, 5 augustus 1810 en 10 augustus 1813).
*22) RA Noord-Brabant, inv. nr. 095.01/7792 (dd.3 september 1816).
*23) GABN ingekomen stukken van het District (dd.11 augustus 1816).
*24) GABN uitgaande stukken naar het District (dd.21 augustus 1816).
*25) RA Den Bosch, inv. nr. 095.01/7307 (dd.27 augustus 1816).
*26) GABN ingekomen stukken van het District (dd.6 augustus en 20 oktober 1919) en uitgaande stukken naar het District (dd.14 oktober 1819).
*27) GABN ingekomen stukken van het District (dd.31 juli 1822) en uitgaande stukken naar het District (dd.22 augustus 1822).
*28) GABN uitgaande stukken naar het district (dd.26 januari 1825).
*29) GABN nr.1.855.1, Feesten en Vermakelijkheden.
*30) Archief Ons Weekblad, drukkerij Em. de Jong Baarle-Nassau (dd.10 december 1966).

 

Informatie over website
                                                                                               
Contact

Heemkunde kring Amalia van Solms

Bezoekadres
Kerkstraat 4
2387 Baarle-Hertog (B)

Postbus 225
5110 AE Baarle-Nassau (NL)

KVK : NL-40259016