Deze website gebruikt cookies. Accepteer de cookies als u alle functionaliteiten van deze website wilt gebruiken.

Heemkundekring voor Baarle-Hertog, Baarle-Nassau, Castelré, Ulicoten en Zondereigen

Jan Van Leuven (1)

Geschreven door Jef van Tilburg.

Aon de praot mee....Jan Van Leuven (49)
 

“Toen ik na die lijkschouwing van die driedubbele moord en zelfmoord ’s avonds laot thuis kwam, was het kerstdiner koud en had ik er ginne zin mir in”

André Moors

Wie is Jan Van Leuven?
Met Jan Van Leuven aon de praot zijn én aon de praot blijven is geen enkel probleem. Ondanks het feit dat hij het maatschappelijk heel ver heeft geschopt, blijft hij voor iedereen een sympathieke, aimabele man.
Jan weet ontzettend veel interessants over zijn leven te vertellen. Als hij dan ook nog tijdens het interview voor ons beiden enkele heerlijke glaasjes rode wijn inschenkt en we ook alle twee een sigaartje opsteken, nou, dan weet u het wel! Het wordt het langste interview van alle ‘Aon de praot mee’-afleveringen tot nu toe. Daarom volstaat dit nummer niet. In de volgende Van Wirskaante kunt u het tweede gedeelte van het interview lezen.

Bijna iedereen in Baarle kent Jan. Maar slechts weinigen zullen kennis dragen van zijn jonge jaren en van zijn studententijd in Leuven en Antwerpen. Uitvoerig vertelt hij in dit nummer ook over de tijd dat hij huisarts was in Baarle en daarna patholoog-anatoom in het St. Jozefziekenhuis van Turnhout. Zijn openhartige ervaringen die hij met ons deelt, zijn zeer lezenswaardig.
In het volgende nummer vertelt Jan vooral over zijn gezin, zijn tijd in Baarle als schepen en burgemeester en zijn persoonlijke belangstelling en hobby’s. Ik wens u veel leesplezier!


Jan wordt geboren in Weelde op 23 augustus 1941. Hij is nu dus 71 jaar. Zijn ouderlijk huis stond aan de Tilburgseweg in Weelde. Vader Jan wordt geboren op 16 maart 1911 in Rijkevorsel. Hij had in Weelde een bakkersbedrijf. De moeder van Jan, Phil Van Beek, ziet het levenslicht in Weelde op 25 april 1908. Jan heeft géén broers, wel een zus, Manda. Zij is zeven jaar jonger dan Jan. Maria, de vrouw van Jan, wordt geboren op 2 februari 1942. Zij is nu dus 70. Maria groeit op in Weelde aan de Prinsenlaan. Die straat ligt in het verlengde van de Tilburgseweg waar het huis van de familie Van Leuven stond. Maria woonde er met drie broers, Jan, Herman en Jef en vier zussen, Gerda, Leen, Ann en Hilde. Jef overlijdt als hij nog maar 18 jaar is. Ook Hilde is helaas al overleden.
Uit het huwelijk van Jan en Maria worden vier kinderen geboren: Leen, Martine, Luk en Joris. Heel fier zijn Jan en Maria op hun zeven kleinkinderen.
Gedurende zijn arbeidzame leven is Jan in Baarle-Hertog in eerste instantie huisarts. Later is hij als patholoog verbonden aan het ziekenhuis in Turnhout.
Een patholoog is iemand die de lichamelijke veranderingen in de weefsels van het lichaam onderzoekt en zo een diagnose stelt.
Vrijwel iedereen in Baarle kent Jan. Dat hij ook een aantal jaren burgemeester was van Baarle-Hertog, zal daar zeker toe hebben bijgedragen.

Jeugdherinneringen
De vader van Jan groeit in Rijkevorsel op in een héél groot gezin. Er zijn niet minder dan achttien of negentien kinderen. Het juiste aantal schiet hem niet te binnen. Jan: “Mijne opa is heel jong overleden. Was dat niet gebeurd, dan waren er misschien nog meer kinderen geweest. Hoe dan ook, er waren elf jongens. Die vormden samen een voetbalelftal. Vader en zijn broers waren ook erg muzikaal. Later vormden die samen een orkestje. Ze traden ook op in de Warande in Turnhout. De oudste zus van mijn moeder trouwde met ene Van Leuven. Zodoende heeft mijn moeder mijne vader leren kennen. Ze zijn dus over en weer getrouwd. Mijne opa was bakker, maar ook mijne grootvader langs moederskant. Toen ik nog klein was, was mijn vader unne broodbakker. Na een tijdje, ik was toen tien denk ik, is ie gestopt mee brood bakken en begon ie beschuiten en wafels te bakken.”
Jan begint al op jonge leeftijd mee te helpen in de bakkerij. “Als ik uit school kwam moest ik meteen meewerken. Ook in de vakanties. Hoeveel wafels ik gebakken heb, ik weet het nie. Ik ben in dieë tijd altij van plan gewiest om bakker te worden. Echt waor. Ge kijkt op naor oewe vaoder en ge probeert hetzelfste te worden. Ge probeert oe vaoder zelfs nog te overstijgen. Ik zag da helemaol zitten. Ik herinner me nog heel goed, ik was un jaor of zeuven. Ik pakte twee kabassen en stopte die vol mee zelf gebakken beschuiten en ging die verkopen. Ik belde bij de mensen aon. Op unne weerlicht waren die allemaol verkocht! Ik was heel freet dat ik da zó rap gedaon had. Toen ik het tegen mijn vaoder vertelde, kreeg ik aon mijn voeten, want ik had ze veul te goeiekoop verkocht!”
Vader was volgens Jan een sociale man. Hij maakte liever muziek dan dat ie broden bakte.
Jan: “Hij speulde trompet en dwarsfluit. Hij heeft nooit gestructureerde muziekles gehad. En toch speulde hij in de concertvereniging in Turnhout. Hij was ook dirigent bij de fanfarekorpsen in Weelde, Ravels en Ravels-Eel. Langs dieë kant was het ook unne romanticus. In dieë zin, als ie bepaalde klassieke muziek hoorde, dan begos ie te schreeuwen hè. Als ik daor dan bij was, was ik gewoon beschaomd. Hij is trouwens ook nog wa jaoren commandant gewiest van de vrijwillige brandweer.”
Volgens Jan was zijn moeder veel meer zakelijk. Zij beredeneerde alles en maakte volgens hem altijd de rekeningen op.

Zijn tijd op de lagere school
Jan vertelt dat hij op de lagere school goed mee kon. Hij ging graag naar school.
“Ik was altij wel irstes of tweedes. Dee alle vakken wel gère. Vooral geheugenvakken als aardrijkskunde, geschiedenis en talen. Natuurkunde ook wel. Ik had thuis un klein laboke ingericht waor ik proeven deed. Lezen dee ik ook gère. Als ik uit school kwam, ging ik op het fietske naor Turnhout naor de muziekschool. Toen ik un jaor of twaalf was, kocht ik van die prismaboekskes. Die kostten toen twintig francs. Om die te kunnen betaolen ging ik ijzer raopen aon de Weldse Statie. Er lag ook veul ouw ijzer daar waor nou die woonwijk is. Daar was vruger unne vuilstort van Brussel. Bij unne ijzerboer bij het Zwart Waoter verkocht ik da ijzer. En dan ree ik op de fiets naor Turnhout om prismaboekskes te gaon kopen.
Hoe dan ook, ik zou bakker worden en er voor gaon leren in Wageningen. Dokter worden kwam in de lagere school nie in mij op. In Wageningen was un heel goeie bakkersschool. Maar ja, toen ik twaolf jaor was zee mijn vaoder, unne bakker mot toch ook goed kunnen lezen en rekenen. Ga maar naor ut seminarie in Hoogstraten!”

Spartaanse invloeden op het seminarie in Hoogstraten
Op dat jongensinternaat in Hoogstraten zaten wel zeshonderd leerlingen. De priesters waren er volgens Jan redelijk streng. Hij mocht maar om de acht, negen weken naar huis. De insteek van het seminarie was volgens Jan om van de leerlingen, stille, brave, gezagsgetrouwe en katholieke mensen te maken.
“Iedereen uit Weld ging naor Hoogstraten. Ge kost twee dingen doen: of wel naor de Jezuïeten in Turnhout, maar da was meer veur deftige mensen. Ut gewone volk, net als wij, kozen veur ut Klein Seminarie aon de Vrijheid in Hoogstraten. Ik ging er nie naor toe om pastoor te worden. Dieën drang heb ik nooit gehad. Ze probéérden da wel in Hoogstraten, maar ze hebben daor rap gezien dat da bij mij nikske nie uithaolde! We kregen er ook les in Grieks en Latijn.”
Jan heeft zich op dat internaat nooit thuis gevoeld. “In dieën zin, ik voelde me daor eenzaam. Er heerste un emotionele kilheid. Het was er ook heel erg hiërarchisch. Er waren eigenlijk geen bevlogen leraren, op un enkele uitzondering na. Mijn ouders, maar ook ik, vonden het heel erg dat we mekaor zo weinig zagen. Op zondagmorgen mochten ouders af en toe komen. Dan zaten er wel drie-, vierhonderd mensen in de zaol. Er wier dan heel wa afgeschreeuwd, ook ikke en mijn ouders.”
Er sliepen wel honderd jongens op van die grote zalen. “Iedereen had daar un eigen kotje mee drie wanden en un gordijn. In da kotje stond un bed, un kaske en unne piespot. Superagenten kwamen regelmatig achter ut gordijntje kijken of ge wel sliept.
Op woensdag- en zaoterdagmiddag maakten wij een wandeling. Dikwijls wandelden we dan mee unne grote groep naor het Withof, un paor km buiten het centrum. Maar alleen naor buiten, 's avonds of zo, was er nie bij. Als ge overdag naor den tandarts moest, probeerde je dan wa extra lang weg te blijven.”
Het eten was er volgens Jan ook niet geweldig. “Je zat er in un grote eetzaal aon lange tafels. Iedereen had zijn vaste plek. We kregen boterhammen en daor zat niks geen beleg bij. En ge mocht ook niks meebrengen. Van thuis kregen we wel eens beleg, kaas of zo, en da smokkelden we dan in de broekzak de eetzaal in. Als de subregent efkes nie keek, stak je da beleg rap in de mond. Op zondag kregen we wel beleg, mistal confituur. De jonkman die ut eten opdiende, hij was wa geestelijk gestoord, stond om vijf veur twaolf de wc’s nog te kùssen en om twaolf uur begos die mee op te dienen! Over hygiëne gesproken!”

Muziek- en orgelles
Jan kreeg in Hoogstraten ook muziekles en dat vond hij prachtig. “Jos Bruurs, hij was of is nog steeds organist in de grote kerk van Hoogstraten, gaf mij ook gedurende zeven jaar pianoles. Ik speulde veul muziek van Beethoven, Chopin en Bach. Ik begos toen steeds meer te denken, is bakker worden wel iets veur mij. Ge mot dan hard werken, vruug op. Bruurs zag het wel zitten dat ik iets professioneels ging doen in de muziek. Vanaf toen begos hij mij ook orgelles te geven. In de kerk van het seminarie speulde ik iedere dag op het orgel. Ook mocht ik speulen op unne grote concertvleugel in un grote zaal. Tijdens de speeltijden voor de leerlingen zat ik ook altij aon de piano of den urgel. Alles bij mekaor speulde ik wel un paor uur per dag. Echt studeren dee ik nie veul. Ik was net als mijn vader, andere dingen doen. Alleen vlak veur de examens klapte ik er efkes tegen aon. En dan was da goed.”

Wat wil ik eigenlijk worden?
Even denkt Jan zijn toekomst te gaan zoeken in de muziek. Maar hij vraagt zich dan af of hij er de kost goed in kan verdienen. Kunstgeschiedenis lijkt hem ook wel wat.
Jan: “Ineens dacht ik, ik goi geneeskunde doen. Scheikunde kos ik nie zo goed maar het is wel onderdeel van de geneeskundestudie. Daarom zag ik geneeskunde als een uitdaging. Ik heb in het zevende jaar, da was het leste jaor, extra mijn best gedaon om me te verdiepen in scheikunde. Toen ik tegen mijne leraar vertelde dat ik geneeskunde wilde gaon doen, zei hij, dè kunde gij nooit nie! Gij zijt altij mee andere dingen bezig. Omdat hij dat zee, was ik nog harder gemotiveerd.”
Ergens in 1958, Jan zit dan nog in Hoogstraten, komt Maria in beeld. Hij krijgt verkering met haar. Even later is hij klaar met zijn opleiding in Hoogstraten en vertrekt hij naar de universiteitsstad Leuven.

Kot zoeken in Leuven  
In totaal brengt Jan zeven jaar door in deze mooie universiteitsstad. In 1958 begint hij daar samen met Jan Dries, een broer van zijn toekomstige vrouw Maria, aan de studie. Jan van Leuven voor arts, Jan Dries voor veearts. Samen zoeken ze er een kot en vinden er ook een in de Van Monsstraat. Na een jaar wordt dat huis verkocht en dan moeten ze naar een ander kot op zoek. Dat vinden ze aan de Vismarkt, pal in het uitgaanscentrum van Leuven.

Het eerste studiejaar was zwaar

Ik vraag Jan of hij de studie als zwaar heeft ervaren. Hij denkt even na en zegt dan: “Dat valt wel mee. Ik denk dat men de universiteit dikwijls overschat. Als ge een gezond stel hersens hebt en je af en toe ook inspant, is da goed te doen. Alleen natuurkunde vond ik in het begin een heel moeilijk vak. Ik snapte van da irste boek niks. Die profs waren toen ook nie zo didactisch. Formules en zo legden ze nie uit. Zó erg was het, dat ik op unne gegeven moment docht, ik rij naor huis. Toen ik op mijn fietske thuis in Weld aankwam, zeeën mijn ouders, gao maar terug!  Dat heb ik toen gedaon. Achteraf bleken de irste bladzijden uit da boek ook het moeilijkst te zijn. Die heb ik toen gewoon van buiten geleerd. Ook scheikunde was un zwaor vak. Ik heb daor heel veul van als unne telefoonboek van buiten geleerd. Alles bij mekaor was het irste jaor toch wel zwaar. Wij waren mee zeuven man van Hoogstraten die begonnen waren mee de studie geneeskunde en we waren er maar mee tweeën door.”

Een paar francs bijverdienen in de vakantie
Piano spelen in zijn vrije tijd deed hij in Leuven niet. Wel luisterde hij heel veel naar muziek. Als Jan tijdens de vakantie thuis in Weelde is, gaat hij na dat eerste jaar werken bij Van Gorp in Ravels om een centje bij te verdienen. Het viel hem kennelijk zwaar tegen. “Die tegels en zo die ik moest sjouwen waren zó zwaor, dat ik ’s morgens zo stijf was als un plank en nie uit bed kos komen. Ik heb het uiteindelijk toch un paor daogen bij Van Gorp volgehouden en kos toen unne bandopnemer kopen. In de universiteitsbibliotheek kos ik dan plaoten opnemen en die luisterde ik dan in mijne vrije tijd af. Ene keer per week ging ik uit in Leuven of naor de film. Ik ging dan samen mee andere jongens van Weld.”
 

Keuze voor een bepaalde specialisatie valt Jan zwaar
In het zesde studiejaar was in Leuven de stage gepland. Dat hele studiejaar was Jan niet in Leuven maar in Turnhout in het St. Elisabeth-ziekenhuis. Hij reed dan iedere dag vanuit Weelde naar Turnhout. Het daarop volgende jaar werd de studie voortgezet en afgerond in Leuven. Studie werd in dat jaar gecombineerd met stage.
“Een jaar daarvoor had ik er voor gekozen om ná mijn studie voor arts in Leuven, verder te gaan met een vijf jaar durende specialisatie voor psychiatrie. Ik kon daarvoor terecht in Leiden bij professor Bastiaansen. In dat zevende studiejaar liep ik stage in Kortenberg tussen Leuven en Brussel bij een afdeling psychiatrie. Dat was heel zwaar door de problemen van de patiënten: psychose, manische depressiviteit, schizofrenie. Mensen kregen er medicatie en elektroshocks. Ik docht toen, als dá psychiatrie is, dan is da niks voor mij. Toen heb ik mijn specialisatie-plek in Leiden opgezegd.”
Na zeven jaar studeren in Leuven studeert Jan af voor arts. Ondertussen was hij getrouwd met Maria en woonden ze in Leuven.
“Ik vroeg mij af, voor welk vak ga ik kiezen. Op het goeie moment hoorden wij dat er in Baol un plak vrij was veur huisarts. Dokter van der Sanden was in Baol toen de enige huisarts. Die kostte de Ziekenkas veul geld, want hij schreef nogal gemakkelijk briefkes. Toen ik hier in Baol kwam, zijn we eerst un huis gaon zoeken.”

Aan de slag in Baol als huisarts
Na een korte zoektocht valt de keuze van Maria en Jan op een pand in Baol aan de Pastoor de Katerstraat, tegenover het huidige Cultureel Centrum.
“Ik begos er wel mee un flink probleem omdat ik stage had gedaan voor psychiatrie en nie veur huisarts. Ik had nog nooit iemand in zijn oor gekeken bijveurbeeld. Ik weet nog goed, den irste patiënt kwam bij mij binnen. Den ouwe Keustermans, hij is al lang dood, zee, ik heb iets in mijn oor, da jeukt en dit en da. Ik ben al zo dikwijls bij van der Sanden gewiest en niks helpt. Ik zeg, ik zal eens kijken. Ik zag nie veul. Maar ik docht, gelijk hij zijn verhaal vertelt, dan moet dat dè zijn. Gewoon door nao te denken. Awel, ik geef hem iets en da helpt! Zonne mens praotte daorover en er was veul ongenoegen over van der Sanden omdat die zo duur was, zeker langs den Belgische kant. Gevolg, ik had zo unne hoop patiënten. Op unne gegeven moment is van der Sanden nog gekomen om samen te werken, maar ik heb da niet gedaan.”
Vermeldenswaard is ook dat Jan, toen hij in Baarle als huisarts begon, achttien maanden gediend heeft in het Belgische leger. Na de opleiding van drie maanden werd hij overgeplaatst naar Duitsland. Via een kruiwagen kreeg hij het voor elkaar om zijn legerdienst op de kazerne in Turnhout voort te zetten. ’s Morgens van zeven uur tot half negen deed hij dan consultaties bij de militairen. Dan rap naar zijn huisartsenpraktijk in Baol en ’s avonds weer even terug naar Turnhout.
Na drie jaar huisartsenpraktijk aan de Pastoor de Katerstraat bouwt Jan in 1971 een nieuw huis en praktijkruimte aan de Kapelstraat. Jan vindt het vak van huisarts dan nog altijd erg leuk, vertelt hij. Hij kreeg ook veel waardering van zijn patiënten. Hij moest wel hard werken, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. ‘s Nachts er vaak uit om bevallingen te doen. Annie Geerts uit Ulicoten, de zus van Fons, stond bij Jan in de apotheek. Nadeel was volgens hem wel dat hij niet in een wachtdienst zat.
“Artsen uit Ravels en Weelde zagen da niet zitten want die moesten dan ook naor Baol komen. En met van der Sanden samenwerken wilde ik nie. Zodoende deed ik dag en nacht praktijk. Op unne bepaolde moment, na zeven jaar, vroeg ik mij af, waor ben ik toch mee bezig. Blijf ik da doen tot mijn vijfenzestig. Ik heb dan misschien wel un grote bankrekening, maar da is ook nie alles. Ann, de zus van Maria begos omstreeks dieën tijd te vrijen mee Rik Vanhove die net was afgestudeerd als arts. Ik zeg tegen hum, Rik gij krijgt mijne praktijk veur niks. Zakelijk gezien van mij misschien stom. Maar ik was al lang blij dat hij na wa praten mijn praktijk wilde overnemen. Hij begos die praktijk in het huis waar ik da eerder had gedaon, in de Pastoor de Katerstraat. Een bietje laoter kocht hij het huis van dokter Jos Govaerts, neffe Den Bonten Os.”

Jan vindt het maar wat fijn dat de zorg voor zijn patiënten wordt overgenomen door zijn zwager Rik Vanhove. Jan neemt de tijd om na te denken wat hij nu wil gaan doen in de gezondheidszorg.
“Ik wilde in ieder geval een bietje regelmatiger werk. Dan moet je geen chirurgie gaon doen.                                           
Dermatoloog, radioloog of oogarts zouden wel goede opties kunnen zijn. Uiteindelijk koos ik voor pathologie omdat ik dat in mijne studententijd ook gère dee. Door een microscoop kijken, weefselonderzoek doen. Weefselonderzoek is heel visueel bezig zijn. Bedoeling was dat ik dat in Leuven zou gaon doen, iedere dag, vijf jaor lang, mee de auto van Baol naor Leuven rijden. Uiteindelijk heb ik da niet gedaon. In Gent kos ik nie terecht want daor was unne stop. In de universiteitskliniek van Antwerpen, bij professor Buijssens kos ik wel beginnen. Die was internist/patholoog, had dus een dubbele opleiding gehad. Da was unne hele strenge zeg! Ik moest er ’s morgens om acht uur zijn. Ik kwam dikwijls veul te laat. Ik zeg professor, waarom moet ik hier toch om acht uur zijn. Laot ons un goeie afspraak maoken. Ik zal er veur zorgen dat ‘s avonds al het werk klaor is als ik hier weg ga. Hij gaf mij gelijk. Ik heb dan ook altij heel goed mee hum kunnen werken. Ik heb er heel veul autopsies gedaon, lijkschouwingen zo gezee. Het ging om mensen die in het ziekenhuis gestorven waren. Ge gingt dan op verzoek van internisten en alle specialisten kijken of zij de goede diagnose hadden gesteld. Als ik geen lijkschouwingen deed, las ik heel veel in allerlei medische boeken. De professor betaalde mij als assistent. Dat was een heel groot verschil met wat ik daarvoor als huisarts verdiende.”

Jan als praktiserend patholoog
Na vijf jaar studie en het opdoen van praktijkervaring als patholoog in Antwerpen, krijgt Jan van de professor te horen dat hij bekwaam is om als patholoog te praktiseren.
“In Brussel moest ik voor een commissie verschijnen waarin ook mijne prof zat. Die commissie ondervroeg mij. Mijne prof was toen nog heel vriendelijk voor mij. Ik kreeg toen niet alleen unne diploom veur patholoog, maar ook eentje veur klinische biologie, terwijl ik daor niks van kende!”
“Na mijn opleiding tot patholoog in Antwerpen, ben ik gaan werken in het ziekenhuis in Turnhout. Daar bestond mijn werk voor 99% uit microscopisch onderzoek, ook tijdens operaties. Tijdens een operatie bij een vrouw blijkt bijvoorbeeld dat ze een knobbel in haar borst heeft. Ik onderzocht dan of die goedaardig of kwaadaardig was. Zo’n microscopisch onderzoek, ook wel biopsie genoemd, hoeft vaak niet lang te duren. Na vijf minuten weet je al of het gezwel goed- of kwaadaardig is. In Turnhout deed ik dus veel biopsies. Simpel gezegd, je bekijkt dan weefsel dat weggenomen is uit het lichaam van een levend orgaan of mens, bijvoorbeeld de maag of longen. Ja, ik heb in Turnhout heel wa tijd doorgebracht achter de microscoop.”
 

Lijkschouwingen doen is bepaald niet leuk
In streekziekenhuizen als in Turnhout vragen doktoren volgens Jan niet snel aan nabestaanden of ze een lijkschouwing mogen laten doen. De medische cultuur in academische ziekenhuizen als in Antwerpen is wat dat betreft heel anders. Ik vraag Jan of hij er moeite mee had om te snijden in lichamen van overleden mensen. Maar eerst wat uitleg over autopsies. 
Die zijn er volgens Jan in twee soorten. Op de eerste plaats klinische autopsies in een ziekenhuis bij daar overleden mensen. Forensische autopsies daarentegen worden gedaan ten behoeve van het gerecht bij mensen die met geweld om het leven zijn gekomen of bijvoorbeeld na een ongeluk overlijden.
“In Antwerpen heb ik vaak klinische autopsies (lijkschouwingen) moeten doen. Die zijn inderdaad niet altijd even leuk, om het zo maar uit te drukken. Als ik in Turnhout een autopsie moest doen, was dat veel minder goed geregeld dan in Antwerpen. In Antwerpen had je altijd mensen die jou hielpen. Daor lag bijvoorbeeld het lijk ontkleed klaor. In Turnhout moest ik alles zelf doen. Ik moest het lijk zelf uitkleden. Gelukkig hielp mijn secretaresse vanaf unne bepaalde moment voortaan mee.”


Af en toe wordt Jan ook door het gerecht ingeschakeld om forensische lijkschouwingen te doen. Dat was volgens hem het geval na dodelijke ongelukken, moorden en bij mensen die voor de trein springen.
Jan: “Ik herinner me nog dat de procureur mij daags voor Kerstmis ’s morgens om un uur of zes belde. Er was een driedubbele moord gebeurd. Ik kwam om zeven uur ter plaatse en die lijken liggen daor dan nog in plassen bloed. De dader was daor ook nog want die was aangehouden. De dader moest ik mee ondervragen. Hij had niet alleen zijn vader, moeder en broer doodgeschoten, maar ook de kat. Na het onderzoek ter plaotse werden die lijken overgebracht naar het ziekenhuis. Daar heb ik bij die lijken autopsies gedaan om te kijken waar precies is geschoten, dus waar de kogels het lichaam zijn binnen gegaan en waar ze het lichaam weer verlaten hebben en hoeveel kogels er zijn afgevuurd. In het lichaam onderzocht ik dan welke baan de kogels precies hadden gevolgd. Voor de rechtbank is namelijk van belang te weten waaraan dieë mens precies is gestorven, heeft die nog lang geleefd. Je meet dan ook de temperatuur om te achterhalen hoe lang geleden de moord is gepleegd. Ook op de kat moest ik autopsie doen. Met die autopsies ben je de hele dag bezig. Als je zo intensief bezig bent, kun je er met niemand over praten, alleen met je assistente.
Ja, zo’n lange dag op die manier bezig te moeten zijn is heel akelig. Het is trouwens unne kant van het leven en als je daar te veel in zit, dan begin je de mens ook crimineel te zien, vind ik. Met dat soort werk ben je lang en intensief bezig en het wordt door de procureur slecht betaold. Dat is nog daar en toe. Maar uw werk in het ziekenhuis blijft dieën dag liggen hè.”

Dezelfde dag - daags voor Kerstmis dus als iedereen aan gezelligheid en lekker eten denkt – is hij nog maar net thuis van de onderzoekingen in verband met die drievoudige moord, of de telefoon gaat weer. Er heeft zich iemand opgehangen in een bos.
Jan: “En weer het zelfde verhaol. Van belang is dan om aan de weet te komen of die persoon zich zelf heeft opgehangen of dat iemand anders dat heeft gedaan. Ook de botbreuken moet je onderzoeken. Toen ik weer thuis kwam, nou, dan hedde ginne honger meer! Het restant van het kerstdiner was bovendien al koud.
Het ergste vond ik autopsie te moeten doen bij mensen die voor den trein waren gesprongen. Je moet dan ook kijken, is er da ene of zijn er da twee. Gaat het om een man of un vrouw. Alle gevonden lichaamsdelen moeten bijeen gelegd worden. Ik zal verder niet in details treden. Ik ben ook bij een vliegtuigongeluk geweest. Wat je dan allemaal ziet is niet plezant en esthetisch.”
Ik vraag Jan hoe hij kon zien of iemand die tegen een boom was gereden overleden was door die klap of al dood was voor hij tegen die boom botste. Jan: “Soms kun je dat niet zien. Maar door het hart goed te bekijken kun je bijvoorbeeld zien of er hartritmestoornissen waren of dat betrokkene een infarct heeft gehad. Je kunt dan zelfs zien hoe lang geleden het infarct plaatsvond.”

Jan stopt met zijn werk in het ziekenhuis van Turnhout

Na verschillende jaren die forensische autopsies gedaan te hebben, stopt Jan er mee. Het was moeilijk te combineren met zijn microscopisch onderzoekswerk in het ziekenhuis. Bovendien vond Jan forensische autopsies erg onesthetisch. In 2005 besluit hij om met zijn werk als arts volledig te stoppen. Met heel veel plezier heeft hij naar zijn zeggen het werk gedaan in het St. Jozefziekenhuis in Turnhout en trouwens ook gedurende een dag in de week in Herentals. Jan is trouwens erg trots op zijn dochter Leen, die in haar vaders voetsporen is getreden. Leen die getrouwd is met huisarts Pieter Dekelver in Baarle, is praktiserend patholoog-anatoom in het St. Jozef-ziekenhuis en het Elisabeth-ziekenhuis in Turnhout.

Verschil gezondheidszorg België en Nederland
De gezondheidszorg in Nederland is volgens Jan veel meer gestructureerd, zeg maar socialistischer. In België is de gezondheidzorg veel liberaler.
“De doktors in Nederlandse ziekenhuizen maken veel minder uren. In België werken die van acht uur ’s morgens tot elf uur ’s avonds. Ook werken ze op zaterdag. In België wordt veel harder gewerkt en de artsen zijn er veel soepeler. In België is de zorg veel minder gestructureerd. De infrastructuur in Hollandse ziekenhuizen is over het algemeen meer modern en duurder.”

Het vervolg en de afronding van  dit interview kunt u lezen in Van Wirskaante van 1 december.

          


 

Informatie over website
                                                                                               
Contact

Heemkunde kring Amalia van Solms

Bezoekadres
Kerkstraat 4
2387 Baarle-Hertog (B)

Postbus 225
5110 AE Baarle-Nassau (NL)

KVK : NL-40259016