Deze website gebruikt cookies. Accepteer de cookies als u alle functionaliteiten van deze website wilt gebruiken.

Heemkundekring voor Baarle-Hertog, Baarle-Nassau, Castelré, Ulicoten en Zondereigen

Rumolda van Beek

Geschreven door Jef van Tilburg.

Aon de praot mee…….Rumolda Van Beek (39) 
 


“Ik heb veel meegemaakt en bewaar dat in mijn binnenste”

André Moors

Wie is Rumolda Van Beek
Rumolda Van Beek is geboren en getogen op Ginhoven, een buurtschap in het mooie dorpje Zondereigen, deel uitmakend van de gemeente Baarle-Hertog. Zij zag het levenslicht op 28 oktober 1923. Rumolda is dus pas geleden 86 jaar geworden. Die toch al hoge leeftijd zie je niet aan haar af: ze ziet er nog altijd voortreffelijk uit. Rumolda groeide op in het gezin van haar vader Jan Van Beek, geboren op 7 oktober 1883 in Zondereigen en haar moeder Ludovica Segers, geboren op 24 augustus 1885, eveneens in Zondereigen. In het gezin waren vier kinderen, één jongen die later priester werd en al is overleden en drie meisjes. Haar vader overleed op 8 juli 1963 en haar moeder op14 november 1942. Op 28 juni 1948 trouwde Rumolda met Frans Willebrords, eveneens van Zondereigen. Frans was jarenlang een zeer gewaardeerd (hoofd)onderwijzer in Zondereigen. Hij werd geboren op 14 november 1914 en overleed op 31 januari 1987 in Alicante (Spanje). De vader van Frans, Jozef Willebrords, werd in Zondereigen geboren op 9 augustus 1888 en overleed op 21 november 1979. De moeder van Frans, Joanna Schoofs, werd geboren in Rijkevorsel op 3 september 1889 en overleed op 4 november 1955. In het gezin waarin Frans opgroeide waren acht kinderen. Rumolda en Frans kregen vier kinderen, twee jongens en twee meisjes. Ze geniet elke dag opnieuw van haar kinderen, zes kleinkinderen en vier achterkleinkinderen. Het grootste dieptepunt in haar leven en dat van haar drie dochters is dat op 7 maart 1971 haar zoon en hun broer Guido op twintigjarige leeftijd bij een noodlottig auto-ongeluk om het leven kwam.
 
Rumolda is nog altijd een erg actieve vrouw. Was ze er vroeger voor haar man en de kinderen, ze schuwde niet om daarnaast allerlei maatschappelijke en vrijwilligerstaken op zich te nemen. Ook haar man Frans was naast zijn werk als (hoofd)onderwijzer maatschappelijk erg actief.   
Bijzonder te vermelden is dat pater Ladislas Segers een oom van haar was. En helemaal bijzonder is dat daarnaast zuster Rumolda een tante van haar was. Twee mensen, die vele jaren na hun dood nog altijd enorm tot de verbeelding spreken in Zondereigen en ver daar buiten. Verderop in dit artikel kunt u informatie vinden over het werk en het leven van zowel pater Lidaslas als zuster Rumolda. Vervolgens vertelt Rumolda over haar ontmoetingen met beiden.
Omdat ik uiteraard het dialect van Zondereigen onvoldoende ken, citeer ik Rumolda in dit interview in gewoon Nederlands.
 
De jeugdjaren van Rumolda
Rumolda werd op Ginhoven op de boerderij van haar ouders grootgebracht. “Nog heel vaak denk ik terug aan de tijd dat we met de trein reisden om een bezoek te brengen aan de vijf tante nonnekes, waaronder zuster Rumolda. Die nonnekes waren langs vaders en moeders kant. Als we naar Herentals gingen, was het precies alsof we door de bergen reden. Ook reden we met de trein naar Antwerpen, Lier en Mechelen. Minstens één keer per jaar gingen we in die steden met ons hele gezin bij de nonnekes op bezoek. Die zagen de ’kinnekes’ heel graag. In onze tijd was het reizen een heel gedoe. Onze ouders gingen dan met de vier kinderen op de fiets naar Weelde-statie. Drie zaten bij onze vader op de fiets - twee achterop en eentje op de buis - en eentje achterop bij ons moeder. We reden dan via Gel over de zandbaan naar het station. Langs de weg daar naar toe waren veel bossen. Ik kan me nog heel goed herinneren dat vóór op de fietsen een ‘cabuurlantaarn’ stond. Er zat witte poeder in en daar werd dan water over gegoten waarna de lantaarn ging branden. En dat was nodig als we ’s avonds bij ‘donkerte’ weer naar huis reden.” Rumolda weet ook nog heel goed dat er thuis varkens geslacht werden. Ze vond dat iets verschrikkelijks. “Ik vond dat zó erg. Als het varken geslacht was, hing dat aan de ladder. Daaronder een bord voor het bloed. Als het even kon was ik dan weg. Ik kon er gewoon niet tegen. Als ik later groot was, moest ik zelf dat bloed opvangen. Ik heb er dikwijls van gedroomd. Ik vond dat slachten heel erg voor dat varken.”  
 
Het jongste zusje van Rumolda, Maria, werd, om zo te zeggen, niet op een normale manier geboren. “Wij hadden een tante nonneke in Mechelen. Ze was verpleegster. Mijn moeder had al twee slechte bevallingen gehad, een marteling. Beide kindjes waren dood. Daarom mocht ze eigenlijk niet meer in verwachting raken maar dat gebeurde toch. Tante nonneke heeft toen beslist om een keizerssnee te doen. Ze bracht een dokter van het klooster mee. Die hebben hier in het dorp bij mijn ‘nonkel’ Fons Segers, waar pater Ladislas is geboren, de keizerssnee gedaan op een keuken- of kamertafel. Dat was hier in Zondereigen toen een heel ‘evenement’. Toen ze daar mee bezig waren, moesten wij wachten bij een andere nonkel. En dan komt onze vaoder zeggen: wij hebben un ‘kinneke’, het is een meisje!” 
 
Haar tijd op de lagere school    
Rumolda ging vanaf Ginhoven vier keer dag van en naar de school bij de Zusters in het dorp. Ze vond zich zelf een ‘middelmatige’ leerling. Met plezier denkt ze nog terug aan de echt leuke dingen in een kinderleven: spelen met haar vriendinnetjes. Dat deden ze heel dikwijls op de Vossenberg, een stukje verwijderd van Ginhoven. Vooral in de hooitijd gingen ze er vaak naar toe. Ze speelden er winkeltje, smidje en vlochten er draad. “De Vossenberg was voor mij altijd wel een beetje geheimzinnig. Ik durfde er nooit alleen naar toe te gaan. Ik weet nog dat in de Vossenberg middenin een laagte was met veel hoge koningsvarens. Daar kon je praktisch niet doorkomen. We plukten bij de Vossenberg hazelnoten, braambessen en bosbessen. Er groeide daar van alles. Later heb ik langs nonkel pater Ladislas veel over de Vossenberg horen vertellen. Stond er een toren op? Was er een begraafplaats? De Mark stroomde er langs en daarin gingen we pootje baden. We visten er veel met een ‘waai’, twee stokken waartussen een net. Er werd gevist tot Vossenschoor, tot boven ‘Singelhaai.’ In die Mark zaten kronkels, wielen zogezegd. Dikwijls damden wij zo’n wiel af waardoor het waterpeil zakte (jozen) en dan konden we de palingen gemakkelijk pakken. Er zaten er nog al wat in.”
 
Naar het internaat in Herentals
Als Rumolda alle klassen van de lagere school heeft doorlopen, begint het echt serieuze werk. Ze vertrekt naar een pensionaat in Herentals, waar uitsluitend Frans wordt gesproken. “Ik kende alleen de Franse worden père en maison. Na één week mochten wij alleen nog maar Frans spreken. Dat was echt een hele opgave. Een paar keer per jaar mochten we naar huis. Na het begin van het schooljaar, voor het eerst in november. Als ik dan thuis kwam, vond ik alles zo laag, zo klein. Ik ben in Herentals op het internaat twee en een half jaar gebleven. Graag had ik verder doorgeleerd, maar ik moest naar huis komen om op de boerderij te werken, vooral ook omdat mijn moeder jong gestorven was. Ik hielp er mee met melken, bieten wieden, hooien, enzovoort.”
 
Zr. Rumolda (‘het heilig nonneke van Zondereigen’)
Zuster Rumolda werd in 1886 geboren als Maria van Beek. Ze kwam uit het zeer christelijke landbouwersgezin van Kees Van Beek en Angelina Meyvis op Ginhoven. ‘Mieke’ was het vierde kind in een rij van zeven. Als jong meisje begon zij een leven van gebed en boetedoening. Ze kwam regelmatig bidden bij de kapel van Ginhoven. Op haar 17e levensjaar gaf zij te kennen dat ze kloosterzuster wilde worden, maar uit plichtsbesef bleef ze thuis om haar ouders te helpen. Een broer en een oudere zus waren al in het klooster gegaan. Pas op 33-jarige leeftijd (in 1920) trad ze toe tot de Zusters Franciscanessen van Herentals. Een jaar later werd ze geprofest onder de naam Zuster Rumolda en in juli 1924 legde ze haar Eeuwige Geloften af. Vanaf juni 1922 onderging zij erge lichamelijke en geestelijke kwellingen. In haar handen, voeten en hartstreek werden de vijf Heilige Wonden zichtbaar en vanaf 18 november 1922 was ze blijvend gestigmatiseerd: de vijf kruiswonden bleven permanent zichtbaar. Ze overleed op 13 maart 1948 en haar graf in Herentals wordt druk vereerd. Mensen bidden al jaren voor een spoedige zaligverklaring.
 
Zuster Rumolda wilde haar werkzame leven graag als religieuze doorbrengen in de missie van Kongo. Dat ging echter niet door. In oktober 1922 verscheen haar in een visioen het Heilig Hart van Jezus. Ze kreeg op dat moment te horen dat zij innig met Christus zou worden verenigd en dat haar leven zou worden geofferd voor het welzijn van de zielen. De daaropvolgende maanden voelde ze toenemende pijnen in handen, voeten en hartstreek. Haar bruidsring werd op 18 november 1922 op een onverklaarbare wijze gegraveerd met de letters J.U.B.: Jezus Uw Bruidegom. Bij het afleggen van haar eeuwige gelofte op 3 juli 1924 ontving zij in het bijzijn van Kardinaal Mercier op mysterieuze wijze een tweede ring met dezelfde inscriptie aan haar vinger.
 
Haar lichaamstemperatuur schommelde geregeld rond 40°C. De vijf kruiswonden bleven permanent zichtbaar. Hoofd, armen en benen vertoonden vaak wonden als van geselslagen. Nooit echter begonnen de wonden te etteren. Elke Goede Vrijdag doorleefde zij in extase de marteling en de kruisdood van Jezus. Zuster Rumolda leed verschroeiende pijnen, maar bleef ondanks alles gedurende 26 jaar een grote minzaamheid uitstralen. Al die jaren verbleef zij op haar kloosterkamertje in Herentals. Zuster Rumolda verdroeg dit alles uit godsvrucht en wordt daarom door het volk als heilig beschouwd.
 
Rumolda: “Twee keer per jaar mocht ik van de zusters van het pensionaat ‘op parloir’, op bezoek bij tante nonneke Rumolda. Ik klopte dan bij haar op de deur, ging binnen en zag meteen dat ze pijn had. Ik zag dan ook haar wonden, met name op haar handen. Dat zag er zo wat zweerachtig uit. Die wonden had ze ook op haar voeten en in haar zij. Ik ging er graag naar toe. Ik praatte veel met haar. Het was een heel lieve tante. Ze was vooral geïnteresseerd in mijn vorderingen op school. Haar broer kwam bij haar alle maanden een mis doen. Als ze dan de communie kreeg, was ze ‘precies’ dood. Je kon haar dan op haar arm kloppen, maar dan reageerde ze niet. Ze kreeg dan wel ‘halveling’ een glimlach op haar gezicht. Ineens was dat dan gedaan en zag je dat haar lijden weer terug kwam.” In haar kamertje stond een mooi groot H. Hart beeld. Rumolda weet zeker dat het H. Hart aan tante nonneke is verschenen. Het is volgens Rumolda de opdracht van God geweest dat ze moest lijden voor de zonden van de wereld. Vooral in de vastentijd had ze volgens haar heel veel pijnen. “Na de vastentijd moesten wij altijd met een zuster gaan spelen op de ‘cour’ en dan werd het verslag van hetgeen zuster Rumolda in de vastentijd had meegemaakt, aan mijn ouders verteld. Zij zagen dan ook haar bloeddoeken.”
Er wordt al veel jaren gediscussieerd over de vraag of zuster Rumolda niet zalig of heilig verklaard zou moeten worden. Rumolda: “Eigenlijk wel. Mijn broer is ook al lang bezig geweest in een werkgroep om dat mee voor elkaar te krijgen. Hij heeft allerlei documenten bijeen gebracht. Hij heeft er onnoemelijk veel werk en tijd ingestoken. Er moeten wonderen zijn gebeurd. En dat is ook. Kijk maar in de kerk waar een dankbetuiging hangt van To Jansen. Maar voor mijn part hoeft die zalig- of heiligverklaring helemaal niet. Ook voor mijn broer niet. Ik ben al héél blij met dat mooie glasraam achter in de kerk.”
Tante nonneke Rumolde is in het zelfde huis geboren als Rumolda. “Ze was mijne meter. Ik ben de oudste van de Rumoldas. In elke familie hadden ze namelijk een meisje dat Rumolda heette, genoemd naar de patroon van de parochie van Zondereigen (St. Rumoldus). Ik vind het geweldig dat achter in de kerk twee prachtige glasramen zijn aangebracht. Aan de ene kant eentje van tante nonneke Rumolda en aan de andere kant eentje van nonkel pater Ladislas. Het is zeer uitzonderlijk dat twee parochianen en tevens familieleden in de eigen kerk met een apart glasraam vereeuwigd zijn. Voor zover ik weet, bestaat er geen tweede parochiekerk waar dit het geval is.”    
 
Uitgaan
Toen Rumolda nog jong was, zat er ’s avonds uitgaan en gaan dansen niet in. Dat zag haar vader niet zitten. Overdag rijdansen tijdens oogstfeesten mocht zij weer wel. “Mijn vader was niet echt streng, maar we wisten wel wat we aan hem hadden. Overdag mochten we wel naar de Heilig Bloed-processie in Hoogstraten. Maar niet naar het café hè! Ook mochten we overdag naar Meersel-Dreef en elke zondag naar het ‘missiekranske.’ Er werd daar genaaid en gebreid voor onze missionarissen. Ik hielp dan mee. We namen ook ‘gerief’ mee naar huis en mochten dat dan thuis afwerken en brachten dat ‘s zondags weer binnen. Ik ben ook jarenlang lid geweest van de jeugdbeweging en bezocht toneelvoorstellingen in de parochiezaal van Zondereigen.”
 
Bevrijding van Zondereigen
“Bij ons thuis hadden wij ook een schuilkelder. Met de bevrijding lagen er verschillende van onze koeien dood. We zijn toen toch nog gaan melken en toen hoorden wij de granaten al fluiten. De Polen waren in aantocht. Met wat brood en melk hebben we de hele dag in de schuilkelder gezeten. Op den duur hoorden wij gestommel en gepraat dat wij niet thuis konden brengen. Mijn broer is gaan kijken en zag dat het er vol stond met grote tanks. De soldaten daarvan, het bleken Polen te zijn, staken hun hand omhoog en maakten ons duidelijk dat we geluk hadden gehad, omdat ze niet over de schuilkelder waren gereden. Die tanks reden namelijk niet over de weg maar over de hoven en overal tussendoor. Rond vier, vijf uur kwamen ze zeggen dat we uit de schuilkelder mochten komen. De tanks waren toen allemaal met een oranje zeil overdekt. Ze hadden de ‘vliegers’ opgebeld dat ze het niet aankonden. Ze konden Zondereigen nog niet bevrijden. De hele dag werd er geschoten. De Duitsers schoten vanuit de kerk. Even later zagen wij dat het op veel ‘plakken’ in Zondereigen brandde. De kerk was door de Polen in brand geschoten. Mijn broer die priester was, zei toen, mijn eremis zal ik niet meer in de kerk kunnen doen. Ook het huis van mijn toekomstige man die in het dorp woonde, was in brand geschoten. Hij zag dat de kerk brandde en is toen door de sloot naar de ‘pastorij’ gekropen. Daar zaten ook Duitsers binnen. Toen is hij, samen met zuster Theofanne, drie keer de kerk ingegaan om kostbaarheden veilig te stellen. Na de derde keer begon de kerk in te storten en bleken er Duitsers dood geschoten te zijn. Die er nog waren trokken richting Baol.”
 
Rumolda wil ook nog wel kwijt dat ze tijdens de oorlogsjaren heeft gesmokkeld. “Wij bakten zelf ons brood. Het graan daarvoor stopten we weg. Dat deden we ook met een varken. Het brood dat wij bakten was voor mijn vader die maaglijder was, te zwaar. Daarom gingen wij naar Ulicoten en haalden daar bij een tante die naast de kerk woonde, beschuiten en havermout. Dat smokkelden we langs de ‘Singelhaai.’ Mij is de schrik daarvoor altijd hard bijgebleven.”
 
Rumolda leert haar toekomstige man Frans kennen
Zoals eerder vermeld was aan het einde van de oorlog ook het huis van de ouders van Frans Willebrords afgebrand. Dan gebeurde het vaak dat mensen van wie het huis was afgebrand, bij andere mensen in Zondereigen tijdelijk gingen inwonen. En zo gebeurde het dat het gezin Willebrords bij de ouders van Rumolda introk. Rumolda: “Frans speelde muziek, ook harmonica. Toen heb ik Frans bij ons thuis leren kennen. Ik had eigenlijk kennis mee een ander, maar ik was al meteen verliefd op Frans! Maar ik had daarbij wel tegenstand van mijn vader. Mijn vader had al een nieuwe schuur gebouwd om de boerderij te splitsen. Maar ja, ik was ‘mee unne schoolmister’ en dat zag onze pa niet zo zitten. Later draaide hij wel bij. We hebben van na de oorlog twee jaar verkering gehad. Op 28 juni 1948 zijn we getrouwd in de parochiezaal, samen met mijn zus Emma. We hebben toen ons feest gevierd in de stal. De koeien stonden buiten en de stal werd helemaal ‘opgekuist’ en versierd. Het feest duurde twee dagen. Eerst voor de nonkels en tantes, de dag daarop voor de neven en nichten. Na ons trouwen zijn we eerst gaan wonen in het dorp, in het huis wat onze vader had gekocht om daarin tijdens zijn oude dag te gaan wonen. Vóór ons woonde in dat huis Fons van den Broek, werkman van de gemeente. In 1951 hebben we hier op Ginhoven grond gekocht en hebben we ons eigen huis gebouwd.”
 
Frans als onderwijzer
De man van Rumolda, die ze liefkozend ‘vokke’ noemt, was de eerste jaren de enige onderwijzer op de in 1928 gestichte school aan het Lipseind. Toen hij daar begon, had hij zestig leerlingen in de klas! De klas is daarna ‘ontdubbeld’. In de winter maakte hij ’s morgens op school eerst de ‘stoof’ aan. Dan gaf ik hem wat dun hout mee. De kinderen kwamen ’s winters dikwijls met natte voeten op school aan. Als de inktpotten bevroren waren, kregen ze winterverlof. Dat is toen ook gebeurd, want er waren in die tijd harde winters. Alle kinderen kwamen van het Lipseind hè. Hier in het dorp was ook nog een jongensschool en trouwens ook een meisjesschool. Hij gaf de kinderen van het Lipseind les in alle vakken. Er zijn verschillende kinderen die later Hoger Onderwijs zijn gaan volgen. Les geven aan goeie kinderen was niet zo’n probleem. Maar ieder jaar waren er wel een paar kinderen die niet zo goed mee konden en dat kostte vokke heel veel energie. Later is vokke les gaan geven in de school in het dorp, in het gebouw dat nu van de brandweer is. Weer later zijn de scholen allemaal bijeen gebracht en is er in 1960 een nieuwe school gebouwd. Hij heeft daar heel hard voor geijverd. Vokke had trouwens ook een bijnaam. Iedereen noemde hem ‘meester mus’. Men noemde hem zo omdat zijn grootvader Wilhelmus heette en tijdens zijn werk altijd floot.”  
 
Volgens Rumolda had men in het dorp voor alles de meester nodig. Om schrijfwerk te doen, dingen op te richten. Hij zat in allerlei besturen. “Bij oogstfeesten speelde hij monica. Hij was bij de Bond van het H. Hart, inde stoelgeld in de kerk, speelde op het orgel in de kerk, was de ‘maatslager’ bij het koor, organiseerde parochiefeesten, verkocht loten voor goede doelen, enzovoort. Vijfentwintig jaar lang was vokke mutualistisch afgevaardigde. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat stond onze huisdeur open. Veertien- en twaalfjarigen moesten dan ingeschreven worden voor de ziekenkas. Twee keer per week was het hier uitbetaling van de ziekenkas. De bode kwam hier regelmatig en vokke moest ook dikwijls vergaderingen bijwonen. Omdat hij overdag op school was, kwam er veel van dat werk bij mij terecht. In zijn echt vrije tijd speelde hij thuis piano, maakte pentekeningen en hielden we samen den hof bij. Ik zelf breidde en naaide graag en steriliseerde groenten uit de tuin.”
De kinderen van Rumolda
Een ding is volstrekt duidelijk, Rumolda is ontzettend blij met en trots op haar kinderen, klein- en achterkleinkinderen. “Ik vind het heel fijn dat de kinderen zeggen dat ze het thuis goed gehad hebben. Ze waren nooit bruut of zo. Ik had een echte vertrouwensband met de kinderen. Toen ze klein waren maakten we zelf speelgoed en speeltoestellen voor de kinderen. Ze speelden er dan met kinderen van de ‘geburen’. Ik heb er altijd heel veel deugd van gehad en nog. Ik heb ontzaggelijk goeie kinderen.”
 
Vakanties    
Vroeger zorgden Frans en Rumolda er altijd voor dat er tijd werd ingeruimd voor een kortere of langere vakantie. “Geef ons en de kinderen een plaske water en dan waren wij tevreden. Op zondag reden we heel veel naar Postel waar we gingen zwemmen aan het familiestrand. Ook gingen we zwemmen aan het Vossenschoor en in het Strikkenven. Toen we naar het buitenland gingen, verbleven we altijd zo’n anderhalve maand aan de Middellandse zee. We waren er dikwijls met kennissen uit Mol en Oud Turnhout, ook onderwijzers. In totaal waren we dan met acht kinderen. Nóóit een woordje gehad. Het zijn nog altijd onze beste vrienden.”
 
Een enorme klap  
Heel vaak wordt verteld dat je kind verliezen, het ergste is dat je kan overkomen. Helaas kan Rumolda dat alleen maar bevestigen. Op 7 maart 1971 gebeurt er iets verschrikkelijks. Haar zoon Guido komt op twintigjarige leeftijd bij een auto-ongeluk om het leven. Nu Rumolda weer over die dag vertelt, krijgt zij het zichtbaar moeilijk. “De wereld heeft door deze gebeurtenis stil gestaan. Maar ik moet zeggen, door dat verschrikkelijke voorval zijn wij in ons gezin nog dichter bij mekaar geraakt. We hadden en hebben veel steun aan elkaar. We hebben er altijd goed over kunnen praten. Op die bewuste dag, toen er veel sneeuw lag, deden wij een sneeuwwandeling met de geburen. Onze Guido had kennis aan een meisje waar hij naar toe wilde. Hij vroeg toen: vokke, mag ik den grote auto meenemen want de ‘chaufage’ in de kleine auto werkt niet goed. Vokke vond dat goed en toen ging Guido naar huis. Daarna hebben we de wandeling voortgezet. Na afloop kwamen we thuis en toen stond er iemand aan huis en die zei dat onze zoon verongelukt was………..” Rumolda herpakt zich: “De ‘banen’ waren die dag allemaal vrij van sneeuw. Op de weg van Merksplas naar Rijkevorsel was op één plaats een ijsplek. Onder die ijsplek liep een waterloop. Op die ijsplek is onze Guido van de weg afgeraakt en op een boom gereden. Mensen die achter hem reden hadden gezien dat hij remde en dat had hij niet moeten doen. Van de ingehouden emotie heeft vokke tijdens de vakantie in 1971 in Malaga Spanje nog een hartinfarct gekregen.”
 
Rumolda verliest ook haar man
In het eerste jaar dat Rumolda en haar man in het nog kille voorjaar een appartement huurden in Alicante Spanje, gebeurde er weer iets dramatisch. De verwarming werd gestookt met een gasfles. Frans was in de badkamer. De deur van de badkamer was op dat moment dicht en dat werd Frans fataal. Hij kwam naar buiten zei tegen Rumolda: “Ik ben misselijk.” Hij pakt mij vast en zegt, het zal mijn hart toch niet zijn zeker? Ik merkte dat hij zijn bewustzijn verloor en stierf even later. Volgens de dokter was een gebrek aan zuurstof de doodsoorzaak.” Rumolda met een brok in haar keel: “Toen heb ik mijn zoon eigenlijk voor de tweede keer verloren, het was namelijk net of Guido voor de tweede keer stierf. Onze kinderen zeggen dat ik er vijf jaar over getobt heb. Uiteindelijk heb ik alles in mijn binnenste kunnen bewaren en ik ben heel, heel gelukkig.” Na het overlijden van haar man, neemt Rumolda na een tijdje nog méér deel aan allerlei maatschappelijke en ontspanningsactiviteiten. Ze speelt kaart, is om de veertien dagen met vier andere weduwen actief bij de rummicubclub, gaat twee keer per jaar gedurende één week naar zee, gaat uit eten, bezoekt open tuinen, is actief in de parochie, was wijkverantwoordelijke voor de 55-plussers van de KVLV en was bestuurslid van de gepensioneerden en de KVLV. Ook vandaag de dag oefent zij nog een aantal van die activiteiten uit. “Maar ik rijd ook heel graag auto. Vooral over de ‘autostrade’! Dan kan ik zo eens ‘efkes’ gas geven. Ik rijd ook met de auto naar Balen, Beers en Merksplas om daar de kinderen te bezoeken. Mijn agenda staat iedere dag vol. Vóór de middag werk ik en na de middag ben ik vrij. Mijne man zei altijd, als je voor de middag werkt en je bent dan nog niet klaar, dan ben je niet goed bezig. Dat is nu ook mijn leuze. ’s Avonds ben ik wel graag thuis en zit dan dol graag in mijn waranda een beetje TV te kijken. De kinderen willen nooit dat ik een zondag alleen ben. Ja, ik heb veel meegemaakt en bewaar dit in mijn binnenste. Ik ben heel gelukkig door mijn familie, de vele vrienden maar vooral door mijn kinderen. Die kinderen zijn wel zó goed voor mij. Dat heeft mij er echt bovenop geholpen.”  
 
Pater Ladislas Segers
Jozef Segers (1890-1961), nonkel van Rumolda Van Beek, ging op dertienjarige leeftijd naar het college van de kapucijnen in Brugge. Na zijn collegejaren trad hij in 1909, precies een eeuw geleden, in in de orde der kapucijnen. Hij koos als kloosternaam ‘pater Ladislas’ en kreeg zijn noviceopleiding in Izegem. Van 1914 tot 1919 diende hij het vaderland als brancardier in de Eerste Wereldoorlog. Zijn heldenmoed werd herhaaldelijk op de dagorder vermeld en pater Ladislas werd meermaals gedecoreerd. Na de oorlog werd hij tot priester gewijd. Hij vertrok als leraar geschiedenis en Latijn naar het college in Brugge. Vanaf 1927 was Ladislas als pionier van de kapucijnermissionarissen in Canada. Hij was achtereenvolgens pastoor van Blenheim en Erieau, Toutes-Aides en Pelée Island. Hij had een uitgebreide vriendenkring en werd door iedereen geprezen voor zijn sobere levensstijl.
 
Zijn wekelijkse artikelen in de Gazette van Detroit ondertekende hij steevast met de schuilnaam ‘Vossenberg’. Zijn schrijversnaam had hij gekozen uit liefde voor zijn geboortedorp. De Vossenberg van Ginhoven was zijn favoriete plekje. Als kind had Jozef Segers vaak op die heuvel gespeeld. Later ontdekte hij dat daar de oorsprong van Zondereigen lag. Algemeen wordt pater Ladislas als de eerste Zondereigense heemkundige en schrijver beschouwd. Van 1955 tot 1956 schreef hij zijn dichtbundel ‘Het Gelmellied’, een legende die in Zondereigen van generatie op generatie mondeling was overgeleverd.
 
Rumolda: “Nonkel pater heeft altijd tegen mijne man gezegd: gij moet zorgen als onderwijzer dat de Vossenberg in orde blijft. Vanuit Canada schreef hij dat ook regelmatig. Helaas is het behoud en de herinrichting van de Vossenberg nog altijd onzeker. Ik weet nog heel goed dat nonkel pater bij ons op Ginhoven kwam als hij met verlof was uit Canada. Hij verbleef dan meestal bij zijn moeder in het dorp. Maar hij kwam ook regelmatig bij ons op bezoek. Hij werd dan ontvangen in de beste kamer, die anders nooit gebruikt werd. Er stonden sigaren en een fles wijn op tafel. Ik herinner mij nonkel pater als ‘ginne druktemaker.’ Hij was altijd heel weemoedig, zeker als hij weer ging vertrekken. Hij is eens van ons thuis uit over de Singelheide naar Boal gegaan. Hij had niet gezegd dat hij zou vertrekken. Ik denk dat hij in Canada veel ‘vaart’ heeft gehad. Nonkel pater was een heel familiale mens.” 
 
Zondereigen       
Ik vraag haar wat er toch zo bijzonder is aan Zondereigen. “Zondereigen is eigenlijk één familie. Er waren vroeger geen auto’s. Toen hadden de mensen tijd en buurtten met elkaar in de slootkant. Ook na afloop van de mis werd er voor ingang van de kerk nog gebuurt. Ik weet nog dat mijn man kinderen in de klas had en dat is nog niet zo lang geleden, die nog niet verder waren geweest dan Baarle-Hertog. Zondereigen is een hechte gemeenschap. Altijd geweest. Er is een actief verenigingsleven. Iedereen kent iedereen, alhoewel er toch wel meer import komt. En de mensen gaan veel minder naar de kerk waardoor er ook minder gebuurt wordt. Vroeger was het zo dat als er een vreemde in de kerk zat, iedereen zich afvroeg: wie is dat?” Over kerk gesproken, de Kerk betekent desgevraagd nog altijd veel voor Rumolda. “Ik ging iedere dag naar de kerk. Daar zat ik altijd helemaal vooraan, helemaal alleen. Ik ben nog altijd diepgelovig. Ik bid alle avonden een gebed.”  
 
Afscheid
Beste Rumolda, het was mij een groot plezier om jou te interviewen. Echt waar, met mensen praten uit Zondereigen, dat is iets heel speciaals! Namens alle leden van onze heemkundekring heel erg bedankt voor jouw openhartigheid. Ook willen wij jou danken voor de door jou aan onze heemkundekring geschonken brief die pater Ladislas Segers op 25 januari 1947 schreef aan zuster Rumolda. Wij hopen tot slot dat jij nog heel lang bij jouw kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen mag zijn. Het ga jou goed!
 
Rumolda van Beek is op 5 december 2013 overleden.
Informatie over website
                                                                                               
Contact

Heemkunde kring Amalia van Solms

Bezoekadres
Kerkstraat 4
2387 Baarle-Hertog (B)

Postbus 225
5110 AE Baarle-Nassau (NL)

KVK : NL-40259016